Bericht:

Rubriek:

19 juni 2001

wet- & regelgeving

Eerste Kamer neemt wijziging Wmb aan na pittig debat


Wie verwacht had dat de wijzigingen van het hoofdstuk afvalstoffen in de Wet Milieubeheer in de Eerste Kamer een hamerstuk zou worden kwam bedrogen uit. Na een groot aantal pittige schriftelijke vragen volgde een plenaire behandeling, waar de minister toch op belangrijke hoofdlijnen van het beleid een nadere verklaring werd gevraagd.


Het debat was van een geheel andere allure dan in de Tweede kamer. Daar waar de tweede kamer zich toch vooral richtte op een aantal detailleringen, twijfelde de eerste kamer aan de degelijkheid van de systematiek en de handhaafbaarheid van de wet. De discussie was dan ook veel principiŽler, soms ook zeer prozaÔsch, maar de wet werd natuurlijk wel aangenomen. De heer Baarda (CDA) noemde de wetgeving ingewikkeld en constateerde dat de minister dit ook vond. Zijn grootste probleem met de wet is dat de complexiteit zo groot en diffuus is dat slechts enkelen van de hoed en de rand weten. Dit kan alleen leiden tot grote onduidelijkheid bij het bedrijfsleven, en zo vond hij, dat is nu reeds in de praktijk het geval met de invoering van de Eural. De heer Rabbinge (PvdA) wees op de moeilijke positie die ontstaat nu het afvalstoffenbeleid gecentraliseerd gaat worden. De rijksoverheid moet nu de afvalstoffenplannen voorbereiden, uitvoeren en ook moet vaststellen. Samen met de privatisering van de afvalsector ziet hij bezware bij de doelmatigheid waarmee het beleid wordt uitgevoerd. Naast deze vraag over de doeltreffendheid van het bestuur, zette hij ook vraagtekens of bij belangrijke milieuproblemen, zoals zwerfvuil. door de minister wel het juiste instrumentarium wordt voorgesteld.
Ginjaar (VVD) constateerde dat de wereld van afval, met al zijn nationale en Europese regels, zijn verschillende spelers en de veelheid van systemen die al dit moeten coordineren dudielijk heeft gemaakt dat het niet mogelijk is de relaties tussen allen inzichtelijk in beeld te brengen. Hij sprak de wens uit dat bij het aanstaande beheersplan van het LAP nu ook financiŽle invulling aan de plannen gegeven zou worden. Hij ging ver in zijn uitspraken: "de materie is zeer verbrokkeld, onoverzichtelijk en moeilijk te vatten; er is onduidelijkheid
over de inzet van beschikbare instrumenten; de verantwoordelijkheden zijn zeer gespreid, waarbij zij lang niet altijd op elkaar zijn afgestemd. De regelgeving is te complex, en dat zou niet alleen aanleiding zijn voor ontduiking, maar ook tot verschillende interpretaties. De VVD is dan ook bang dat de handhving van de nieuwe wet onuitvoerbaar wordt. Daarnaast vroeg hij zich af wat de minister nu bedoeld met het garanderen van de nutsfunctie. Wat gebeurd er bijvoorbeeld als ovrheden zich uit de nutsvoorzieningen zouden terugtrekken. Vrijwel alle leden haden zware kritiek op de structuur van de wet, of om met de woorden van de heer hessing te spreken "Het gaat om een raamwet die moet functioneren tegen de achtergrond van een buitengewoon complexe werkelijkheid". Hi noemde het de argumenten van de minister dat de handhaving goed zal verlopen neet steekhoudend en meer een bezweringsformule.
Minister Pronk ging uitgebreid in op het punt van de handhaving en de nutsfunctie. Aan de handhaving wordt hardgewerkt, uitgebreid en versterkt, maar is als zodanig geen onderdeel van de wet. De toekomst moet leren of het goed zal gaan. Hij hield vervolgens een heel betoog over de eerste en tweede lijns handhaving en de structurering daarvan. De heer Hessing merkete echter daarna op dat dit betoorg zeer mooi was, maar dat dat toch terug te vinden had moeten zijn in de wet. En dat is het niet. Ook het omstandige betoog van Pronk over de nutsfunctie, waarbij hij zijn visie daarop, nogmaals neerlegde voldeed niet. Rabbinge vond dat onvoldoende en wilde duidelijkheid over hoe private partijen en publieke sector worden ingeschakeld bij het afvoeren van afval. Zoals wel vaker inde Eerste Kamer bleef het daar bij en werd de wet zonder stemming aangenomen.
Bron: 5-7-2001, Handelingen 2000-2001, nr. 33, Eerste Kamer, pag. 1426-1442


© Uitgeverij Noordhoek BV