EU moet standaard voor afvalbeheersing harmoniseren

De rol van de overheid blijft in de toekomst belangrijk. In Europa moeten de technische eisen en juridische bepaling waaronder afval wordt ingezameld en verwerkt dringend worden gestandaardiseerd. Volgens het Duitse BDE is de overheid ook de economische impuls voor de komende jaren.

Bericht:

Rubriek:

27 januari 1998

Beleid & uitvoering

"De voorsprong die Duitsland nog enkele jaren geleden had op milieubescherming, is volledig verdwenen. Door de Europese wetgeving, maar vooral door de strikte regelgeving in de landen zelf, is vooral de Benelux op een voorsprong gekomen." Dit stelt Hanskarl Willms, voorlichter van het Bundesverband der Deutschen Entsorgungswirtschaft (BDE). Als voorbeeld neemt hij het naar zijn oordeel perfecte systeem in Nederland voor de recycling van auto's. "Wat wij in Duitsland aan autorecycling hebben is meer geënt op de belangen van de Duitse auto-industrie dan op milieubeleid. De huidige verordening voor autorecycling is een grapje. Alle auto's kunnen weliswaar gratis worden teruggegeven, maar dat geldt alleen voor de auto's die na 1 april 1998 op de markt komen. Bovendien mogen er in die auto bij teruglevering geen onderdelen zitten die er oorspronkelijk niet inzaten. En de gratis terugname geldt niet als de auto ouder is dan twaalf jaar. Voor de ruim 40 miljoen auto's die nu rondrijden is dus geen oplossing. Welke auto is trouwens aan het einde van zijn leven in zijn oorspronkelijke toestand? , vraagt Willms zich vertwijfeld af.

Harmoniseren van standaards

De inhaalslag op de afvalmarkt vergroot de concurrentie. Deze concurrentie mag echter niet leiden tot systemen met lagere technische kwalificaties, alleen omdat deze goedkoper zijn. Synergie tussen technische eisen en juridische bepalingen is dringende noodzaak, volgens Willms. "Als in Europa ook de standaards worden geharmoniseerd, dan vinden geen afvalexporten meer plaats", is zijn stelling. "De afvalwereld wordt vandaag sterk economisch gestuurd, en is allang niet meer een regionale aangelegenheid. In Duitsland kennen wij een voorbeeld van een gemeente die voor de inzameling gebruikt maakt van een inzamelbedrijf uit Spanje. Dat gebeurt niet alleen vanwege de lagere loonkosten van de Spaanse werknemers. Daarom is het belangrijk dat in Europees verband gestreefd wordt dat vergelijkbare prestaties met vergelijkbare technische standaards worden aangeboden."

Nog geen Europese concurrentie

Willms houdt zijn betoog bij de presentatie van de Entsorga, de internationale vakbeurs voor afvalbeheer in Keulen. De BDE is mede organisator van deze beurs en wil met dit evenement de discussie en (technische) mogelijkheden stimuleren over de Europese positie. Een positieve ontwikkeling noemt Willms de redelijke eensgezindheid van de EU over de hoge standaards op milieugebied. Hij noemt als voorbeeld het gezamenlijk optreden van de EU tijdens de klimaatconferentie in Kyoto. Toch is de concurrentie in Europa volgens hem nog maar nauwelijks begonnen. Enerzijds is er sprake van schaalvergroting en internationalisering, maar anderzijds zie je ook weer een stroming de andere kant op. Het terugtrekken van Waste Management uit Frankrijk en van BFI uit een aantal belangrijke Europese markten zijn daar voorbeelden van. Het milieu en de economie kennen echter geen grenzen; de milieubescherming zou die dus evenmin moeten kennen. Willms pleit voor een krachtdadiger optreden van de Europese Commissie op dit gebied.

Grotere milieu-inspanning kost geld

"Ik ben van mening dat een milieupolitiek niet zonder ingrijpen van de overheid tot stand kan komen. Er ontstaan immers kosten die men, indien er geen verplichtingen bestaan, zal proberen te voorkomen. Vroeger werd het afval integraal opgehaald: een fractie een keer inzamelen en dus een keer rijden. Nu zijn er 2 of 3 fracties, dus ook 2 of 3 keer inzamelen en vervoeren. Dat betekent dus ook 2 tot 3 maal hogere kosten", rekent Willms voor. "Aan de andere kant is een dergelijke politiek zonder concurrentie niet te realiseren, want burgers en bedrijven willen niet meer betalen. Door de economische drang naar effectiviteit wordt dit bereikt. Een hoog rendement bij een zo laag mogelijke inspanning. Vertaald naar de afvalverwerkingsbranche betekent dit zoveel mogelijk rationele arbeidsprocessen ontwikkelen, waarbij met lage kosten een optimale prestatie behaald kan worden. Deze ontwikkeling is zeer duidelijk te zien op de aanstaande Entsorga", aldus Willms.

Duitse markt in een dal

"De laatste tijd zijn de economische prognoses voor de afvalverwerkingsmarkt niet meer zo euforisch als twee, drie jaar geleden", vervolgt Willms. "De Duitse afvalverwerkingsbranche had in het begin van de jaren negentig te maken met twee impulsen die destijds tot een enorme hausse leidden. Ten eerste was de hereniging van de twee Duitslanden een belangrijke stimulans. Bijna alles voor afvalverwerking in voormalig Oost-Duitsland is gloedje nieuw. Vervolgens trad de verpakkingsverordening in werking. Ook deze creëerde een compleet nieuwe markt die niet enkele beperkt bleef tot de overheid. De eerste ontwikkeling leidde bij sommige bedrijven tot een omzetstijging van 20 tot zelfs 30 procent. De tweede had een verhoging van ongeveer 10 procent tot gevolg. Beide oorzaken werden dus geïnitieerd door acties van de overheid."

"De nieuwe verordeningen voor elektronica, oudpapier, meubels en de al besproken auto's komen zeer moeizaam tot stand. Daarbij halen zij bij lange na niet de milieudoelstellingen zoals die bij de verpakkingen zijn vastgelegd. De door de Duitse overheid geïnitieerde impulsen hebben dus minder effect. Op dit moment wordt meer verwacht van investeringen die zelf vanuit het bedrijfsleven opkomen en waar een technische noodzaak aan ten grondslag ligt. Enerzijds zal dat een vervangingsmarkt zijn, anderzijds is vernieuwing noodzakelijk vanuit een oogpunt van rendementsverbetering", besluit Willms.

Duits stortverbod

Toch liggen nog een aantal belangrijke investeringen in het verschiet. Studies hebben aangetoond dat in geheel Duitsland behoefte zal komen aan een uitbreiding van ongeveer 30 verbrandingsinstallaties. Dit is het gevolg van richtlijnen die bepalen dat vanaf 2005 afval alleen gestort mag worden als deze voldoet aan bepaalde eisen. Dit zal een enorme toename van niet te storten materiaal opleveren. Omdat men in 2005 minstens 8 miljoen ton restafval verwacht, zijn er minstens 30 verbrandingsinstallaties nodig met een capaciteit van 250.000 ton per jaar. Investeringen daarin blijven vooralsnog uit. Politiek ligt de keuze nogal gevoelig. De Groenen zijn tegen de bouw van nieuwe verbrandingsovens. Daarom zou na de verkiezingen de politieke bereidheid wel eens geheel om kunnen slaan.

Voor meer informatie over de Entsorga: 'Entsorga voorziet sterke groei'

 


© Uitgeverij Noordhoek BV