Praktisch omgaan met de regelgeving

Bericht:

Rubriek:

Auteurs:

17 januari 1998

beleid & uitvoering

Daan van Olst, Gerard Lesker, Edwin Jansen, Robert Duzijn.

Inhoud

Het bouwstoffenbesluit in de praktijk

De naderende komst van het Bouwstoffenbesluit heeft heel wat los gemaakt onder producenten van primaire en secundaire grondstoffen, onder toepassers en onder overheden die erop moeten toezien of de toepassing wel milieuverantwoord gebeurt. Tauw Milieu onderzocht voor de provincie Overijssel en de Almelose Maatschappij voor Hergebruik van Afvalstoffen (AMHA) hoe de protocollen uit de Uitvoeringsregeling praktisch kunnen worden toegepast. Dat blijkt mogelijk!

Als per 1 juli 1999 het Bouwstoffenbesluit van kracht wordt in zijn volle omvang, heeft dit nogal wat gevolgen. Producenten moeten hun producten certificeren of ze moeten partijkeuringen laten verrichten volgens vastgestelde protocollen. Toepassers moeten het gebruik van veel bouwstoffen melden aan het bevoegd gezag, waarbij een groot aantal gegevens moet worden overlegd. Tevens zijn aan de toepassing van de materialen randvoorwaarden verbonden, die afhangen van de kwaliteit van het product. Het bevoegd gezag, tenslotte, moet via handhaving erop toezien dat geen milieubedreigende situaties ontstaan. Gelukkig hebben velen reeds kunnen wennen aan deze verplichtingen, doordat sinds enige jaren een provinciaal interimbeleid van kracht is: Werken met secundaire grondstoffen. Iedere partij in dit samenspel (want dat is het wel) heeft zijn eigen vragen. Een kleine greep. De producent vraagt zich af of de afzet opweegt tegen de kosten die gepaard gaan met certificering of partijkeuring. De toepasser moet weten wanneer een werk meldingsplichtig is en hoe de verschillende facetten van een werk (toepassing bouwstoffen, bouwvergunning, bestekbepalingen, ontgrondingen, bodemsanering e.d.) aan elkaar haken. Het bevoegd gezag, dat zal verschuiven van Gedeputeerde Staten naar de gemeente, moet grip houden of krijgen op de geplande infrastructuur en op de mate waarin toepassers bereid zijn de regels na te leven. Centraal staat de wijze waarop wordt getoetst of de bouwstoffen voldoen aan de eisen. Hiervoor is de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit. Dit is tegelijk ook het meest praktische onderdeel van het Bouwstoffenbesluit, en onderwerp van dit artikel.

Certificaat of partijkeuring

Er zijn twee mogelijkheden om de kwaliteit van een bouwstof aan te tonen:

Volgens het Bouwstoffenbesluit geniet certificering van de bouwstof voorkeur. Hierbij moet de producent van de grondstof(fen) in het bezit te zijn van een kwaliteitssysteem dat voldoet aan de regels die worden gesteld in een zogenaamde Beoordelingsrichtlijn (BRL) voor de betreffende bouwstof. In deze BRL zijn onder andere eisen opgenomen voor acceptatie, monsterneming, onderzoekfrequentie, analysepakketten, toetsing en bedrijfsvoering. Als de producent op deze manier heeft aangetoond dat hij zijn proces "goed in de vingers heeft" kan door een certificerend instituut een KOMO-certificaat worden afgegeven voor de betreffende bouwstof. Dit KOMO-certificaat wordt door het Bevoegd Gezag geaccepteerd als voldoende bewijs dat de bouwstof voldoet aan de eisen uit het Bouwstoffenbesluit. Een groot voordeel van deze certificering is dat materiaal dat vandaag wordt geproduceerd morgen al kan worden toegepast. Op dit moment zijn echter voor een zeer beperkt aantal bouwstoffen Beoordelingsrichtlijnen voorhanden. Als er al een Beoordelingsrichtlijn is, zal door de meeste producenten eerst nog een forse investering (tijd en geld) moeten worden gedaan, voordat zij zich het KOMO-certificaat kunnen verwerven. Hierdoor zijn de meeste producenten van bouwstoffen en ook de bureaus Handhaving van gemeenten, waterkwaliteitsbeheerders en provincies voorlopig aangewezen op het uitvoeren van partijkeuringen.

Uitvoeringsregeling

In bijlage F (concept) van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit zijn verschillende toetsingsprotocollen opgenomen, waarin nadere eisen worden gesteld aan het uit te voeren onderzoek aan een partij van een bepaalde grondstof (partijkeuring). Hierbij is onderscheid gemaakt in twee handhavingsprotocollen en een gebruikersprotocol. Dit onderscheid is gemaakt, omdat de handhaver met een bepaalde zekerheid moet aantonen dat een bepaalde partij niet voldoet terwijl de gebruiker/producent juist moet aantonen dat een bepaalde partij wel voldoet aan de eisen uit het Bouwstoffenbesluit. In de toetsingsprotocollen worden eisen gesteld aan de monsternemingsstrategie, het aantal te nemen grepen en samen te stellen mengmonsters, de grootte van de grepen en mengmonsters, analysemethoden en toetsing. Een groot nadeel van partijkeuringen voor de producent is dat in principe partijen moeten worden gekeurd die ook daadwerkelijk in een bepaald werk worden toegepast. Dit houdt in dat de partij dus eerst moet worden geproduceerd, waarna de partij volgens het betreffende toetsingsprotocol kan worden bemonsterd en geanalyseerd. Pas na het bekend worden van de analyseresultaten en het uitvoeren van de toetsing kan, wanneer de partij is goedgekeurd, de bouwstof in het werk worden toegepast. Doordat in veel gevallen uitloogonderzoek moet worden uitgevoerd kan de termijn tussen productie en toepassing van de bouwstof oplopen tot wel 6 7 weken. Bovendien moeten zowel de monsterneming als de analyses uitgevoerd worden door een door het ministerie van VROM aangewezen instelling.

(Zie kader 'Toetsingsprotocollen')

Voorbeeld

Voor de provincie Overijssel en medewerkers van AMHA was het van belang ervaring op te doen met de richtlijnen uit het "Instrumentarium voor de handhaving van werken met secundaire grondstoffen" en de toetsingsprotocollen uit de "Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit". Tauw Milieu heeft in opdracht van de genoemde instellingen een onderzoek uitgevoerd aan een partij menggranulaat en een partij zeefzand bij AMHA. Hiertoe zijn in een brainstormsessie met de werkgroep - waarin behalve medewerkers van de provincie Overijssel en AMHA ook medewerkers van verschillende gemeenten en de politie waren vertegenwoordigd - monsternemingsplannen opgesteld en besproken. Tijdens deze brainstormsessie zijn verschillende monsternemingsmethoden besproken en is besloten om de monsternemingen aan de partijen menggranulaat en zeefzand handmatig uit te voeren conform NVN 7302 uit de NEN 7300-serie, zoals in de toetsingsprotocollen wordt voorgeschreven. Om de monsterneming te laten aansluiten bij zowel het handhavings- als het gebruikersprotocol is gekozen voor het nemen van 3 monsters van elk 4 grepen per partij.

Monsterneming volgens NEN 7300

Volgens de toetsingsprotocollen dient de monsterneming te worden uitgevoerd volgens de probabilistische methode uit de NEN 7300 serie. In de NEN 7300 wordt ook de methodische afgesproken monsterneming genoemd. Deze laatste wordt in het kader van de partijkeuringen echter niet toegestaan. Probabilistische monsterneming wil zeggen dat iedere korrel binnen de te bemonsteren partij een even grote kans heeft om uiteindelijk in het analysemonster te belanden. Bij de monsterneming bij AMHA bleek vrijwel gelijk dat dit lang niet in alle gevallen mogelijk is. Bij de monsterneming van de partij menggranulaat bleek dat het niet mogelijk is de partij handmatig te doorboren, zodat het noodzakelijk is om de monsterneming met behulp van een kraan of shovel uit te voeren. Hierbij moet een deel van de partij verplaatst worden, omdat de monsternemingspunten bereikbaar moeten worden gemaakt. Op veel locaties is hiervoor simpelweg te weinig ruimte. Opgemerkt kan worden dat dit voor de producent van de partij menggranulaat geen probleem hoeft te zijn, omdat hij de mogelijkheid heeft om de partij tijdens de productie te bemonsteren vanaf de transportband (NVN 7301). Voor handhavers zal zich dit probleem echter wel voordoen. Zij krijgen immers meestal te maken met partijen secundaire grondstoffen die reeds geproduceerd zijn en vaak al in een werk zijn toegepast. Om in dit laatste geval de monsterneming geheel conform NEN 7300 uit te voeren zou het noodzakelijk kunnen zijn dat een flink deel van het werk wordt afgebroken. De partij zeefzand bij AMHA kon overigens zonder noemenswaardige problemen conform NVN 7302 met behulp van een edelmanboor worden bemonsterd.

Afkeurfactor of zekerheidsfactor

Zoals eerder genoemd moet een gebruiker met een bepaalde mate van zekerheid bewijzen dat zijn materiaal voldoet aan de eisen uit het Bouwstoffenbesluit, terwijl een handhaver eveneens met zekerheid moet aantonen dat het materiaal niet voldoet aan die eisen voordat hij tot afkeuring van de partij mag overgaan. In het gebruikersprotocol wordt deze "zekerheid" gewaarborgd door middel van een zogenaamde zekerheidsfactor. In het handhavingsprotocol wordt deze zekerheid geregeld door de afkeurfactor. Zowel de zekerheids- als de afkeurfactor is een getal dat groter is dan 1 en is afhankelijk van het aantal grepen per monster en het aantal geanalyseerde monsters. De gebruiker vermenigvuldigt het gemiddelde analyseresultaat met de zekerheidsfactor en de handhaver deelt het gemiddelde analyseresultaat door de afkeurfactor. Het resultaat van de vermenigvuldiging of deling moet vervolgens worden getoetst aan de grenswaarde uit het Bouwstoffenbesluit. Ter verduidelijking van het bovenstaande volgt hier een rekenvoorbeeld:

(Hierbij kan worden opgemerkt dat indien de gebruiker minimaal voldoet aan de monsternemingsinspanning volgens het handhavingsprotocol, dat wil zeggen minimaal 3 monsters van minimaal 4 grepen en een maximale partijgrootte van 2000 ton, de zekerheidsfactor gelijk mag worden gesteld aan 1.)

Voor een handhaver bedraagt het te toetsen gehalte 40 / 1,34 = 29,9 mg/kg ds. De handhaver kan de partij dus niet afkeuren.

Grijs gebied

img001.jpg (17042 bytes)Het mag duidelijk zijn dat er als gevolg van deze zekerheids- en afkeurfactor een flink grijs gebied ontstaat waarin een gebruiker zijn materiaal niet mag goedkeuren maar de handhaver hetzelfde materiaal ook niet kan afkeuren. In de afbeelding is dit grijze gebied voor het PAK gehalte bij 3 monsters van 4 grepen nog eens weergegeven. Zoals in de afbeelding is te zien kan het voorkomen dat voor een bepaalde partij niet duidelijk is af deze toegepast mag worden. Voor meldingsplichtige grondstoffen zal dit in de praktijk waarschijnlijk niet veel problemen opleveren, omdat hier voordat het materiaal wordt toegepast door het bevoegd gezag kan worden beoordeeld of de gebruiker het onderzoek en de bijbehorende toetsing op de juiste wijze heeft uitgevoerd. Voor niet meldingsplichtige grondstoffen is het echter niet ondenkbaar dat pas nadat het materiaal in een werk is toegepast blijkt dat het materiaal op basis van het gebruikersprotocol niet toegepast had mogen worden terwijl het volgens het handhavingsprotocol niet afgekeurd mag worden (zie ook het rekenvoorbeeld).

Evaluatie

Uit het onderzoek dat Tauw voor de provincie Overijssel en de AMHA heeft uitgevoerd is gebleken dat het in een aantal gevallen goed mogelijk is om partijkeuringen uit te voeren. Zo was de partij zeefzand met een omvang van circa 2000 ton goed bereikbaar en het materiaal was voldoende geconsolideerd om de partij over de hele hoogte (circa 5 m.) te doorboren. In de praktijk zullen echter veel situaties voorkomen waar dit niet goed mogelijk is, zoals bij AMHA de partij menggranulaat die niet kon worden doorboord. Daardoor was het noodzakelijk de partij met behulp van een kraan of shovel te bemonsteren. Hierbij moest echter zoveel van de partij worden verplaatst dat de monsterneming in verband met ruimtegebrek niet op deze wijze kon worden uitgevoerd. In verband met de veelal lastig uit te voeren partijkeuringen met een zeer arbeidsintensieve monsterneming en met een lange opslagtermijn die wordt veroorzaakt door uitloogonderzoek zal het voor veel producenten van (secundaire) grondstoffen dus aantrekkelijker zijn om zijn materiaal te certificeren. Een ander voordeel voor de gebruiker om zijn product te certificeren zijn de minder strenge eisen uit de Beoordelingsrichtlijn (geen zekerheidsfactor). Of certificering ook economisch aantrekkelijker is dan het uitvoeren van partijkeuringen zal vooral afhankelijk zijn van de hoeveelheid van een bepaald product dat geproduceerd wordt en de eisen die de afnemers aan het product stellen. In tegenstelling tot gebruikers/producenten van (secundaire) grondstoffen hebben handhavers over het algemeen geen andere mogelijkheden om partijen te bemonsteren dan volgens de protocollen uit de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit omdat zij in veel gevallen te maken hebben met partijen die reeds zijn toegepast.

Daan van Olst, Gerard Lesker, Edwin Jansen, Robert Duzijn.

A.L. van Olst is beleidsmedewerker milieu, vakgebied afval bij bij de Provincie Overijssel, G.J.J. Lesker is directeur bij AMHA bv, E.W.M. Jansen en R.F. Duzijn zijn beiden werkzaam op de afdeling Afvalstoffenmanagement van Tauw Milieu bv.

 

 

Toetsingsprotocollen

Bijlage F (concept) van de Uitvoeringsregeling Bouwstoffenbesluit "De toetsingsprotocollen" is onderverdeeld in drie hoofdstukken:

Hoofdstuk 1. Gebruikersprotocol schone grond en bouwstoffen; Hoofdstuk 2. Handhavingsprotocol schone grond en bouwstoffen; Hoofdstuk 3. Handhavingsprotocol bouwstoffen.

In het schema zijn de belangrijkste verschillen en overeenkomsten tussen de verschillende protocollen samengevat.

Het feit dat de monsternemingsinspanning bij de protocollen schone grond vele malen groter is dan bij de protocollen bouwstoffen komt voort uit het feit dat schone grond multifunctioneel toepasbaar is en onderdeel kan gaan uitmaken van de bodem, waardoor het materiaal niet terugneembaar is. Voor alle bouwstoffen (inclusief niet schone grond) geldt dat deze terugneembaar in een werk moeten worden toegepast.


Uitgeverij Noordhoek BV