Raad van State geeft provincie Utrecht deels gelijk in zaak BRC

De Raad van State heeft de provincie Utrecht in het gelijk gesteld in de zaak tegen BRC. BRC mag een partij afvalstoffen niet van haar terrein halen en aanwenden voor andere doeleinden. De eis van de provincie om de afvalstoffen naar een legale verwerker af te voeren werd niet gehonoreerd.

Bericht:

Rubriek:

3 april 1998

Handhaving

Vorig jaar kreeg de provincie Utrecht van de milieudienst Rijnmond te horen dat Van Bentum Recycling Centrale (BRC) een partij afvalstoffen vanuit Rotterdam naar Utrecht had getransporteerd. Dit was in strijd met de acceptatievoorschriften in de milieuvergunning. BRC mag alleen asfaltpuin accepteren met een asfaltgehalte van minimaal 95 procent, terwijl de ontvangen partij slechts een asfaltgehalte van 18 procent bevatte. Gedeputeerde Staten besloot toen BRC een dwangsom van maximaal drie miljoen gulden op te leggen als het bedrijf de partij afvalstoffen niet voor 17 maart van het BRC-terrein zou weghalen. Daarnaast werd een dwangsom van een dubbeltje per kilo opgelegd wanneer BRC nieuwe partijen afvalstoffen in strijd met de vergunning zou accepteren. BRC spande daarop een spoedprocedure aan bij de Raad van State, omdat men de dwangsom onterecht vond.

In de uitspraak van de Raad van State kan de provincie Utrecht zich vinden. De voorzitter heeft dan wel bepaald dat het eerste deel van de dwangsom de drie miljoen gulden niet betaald hoeft te worden, maar, zo stelt de provincie, de milieuwinst is verkregen omdat BRC de partij grond niet kan aanwenden voor andere doeleinden, omdat de afvalstoffen moeten blijven liggen. De dwangsom van een dubbeltje voor iedere kilo nieuwe afvalstoffen die BRC in strijd met de acceptatievoorschriften aanneemt in de toekomst is wel gegrond verklaard.

 


© Uitgeverij Noordhoek BV