Bouwstoffenbesluit nu met zekerheid ingevoerd

Na evaluatie van het Bouwstoffenbesluit zal dit nu definitief op 1 januari worden ingevoerd. Het hergebruik van bouwstoffen wordt door het besluit niet gehinderd. Wel zijn nog een paar hobbels te nemen, vooral in de voorlichting. Verder blijkt dat de invoering aanmerkelijk minder kost dan oorspronkelijk gedacht.

Bericht:

Rubriek:

3 april 1998

Nuttige toepassing

Minister De Boer van VROM is het in grote lijnen eens met het evaluatierapport over het Bouwstoffenbesluit dat onlangs door Moret Ernst & Young is uitgebracht. Het Bouwstoffenbesluit kan daarom volgens haar per 1 januari 1999 volledig inwerking treden en per 1 juli 1999 volledig effectief kan zijn. Maar er moet nog wel het een en ander gebeuren. VROM, V&W en andere partijen moeten vooral meer nadruk leggen op voorlichting aan gemeenten en certificatie. Daarvoor moet onder andere een model beoordelingsrichtlijn worden opgesteld en een Handhavings- en Uitvoeringsmethodiek (HUM).

Eerder was de invoering van het besluit uitgesteld, om het bedrijfsleven meer tijd te gunnen (zie 'Bouwstoffenbesluit uitgesteld tot 1999' van 1/12/1997)Met name de VNG had om uitstel gevraagd, om de HUM op gemeentelijk niveau beter ingevoerd te krijgen en de voorlichting en de organisatorische en financiële gevolgen beter te doorzien. Na het uitstel vindt de minister nu dat er voldoende tijd is voor overheden en bedrijfsleven om zich voor te bereiden. Zij ziet daarmee af van een gefaseerde invoering, zoals het IPO begin januari had voorgesteld. Het naast elkaar voortbestaan van het IPO interimbeleid en Bouwstoffenbesluit zou alleen maar voor verwarring zorgen.
Minister De Boer rekent er op dat per 1 juli 1999 voldoende kwaliteitsverklaringen beschikbaar zullen zijn. Aangezien de notificatie bij de Europese Commissie inmiddels succesvol is verlopen, is elke twijfel voor het bedrijfsleven weggenomen, zo zegt de minister in een stimulerende oproep aan het bedrijfsleven. Ook kunnen binnenkort kwaliteitsverklaringen door de ministers van VROM en V&W erkend worden.

Volgens Moret Ernst & Young hangt de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het Bouwstoffenbesluit in belangrijke mate af van de beschikbaarheid van erkende kwaliteitsverklaringen. Volgens minister De Boer zijn de pilotprojecten hiervoor in het begin moeizaam van gang gegaan, maar is er de laatste tijd veel voortgang geboekt. Daarnaast blijkt het certificeringsproces traag te verlopen. Onbekendheid met de materie blijkt vooral de oorzaak daarvan te zijn, waardoor meer aan voorlichting van kwaliteitsverklaringen zal moeten worden gedaan.
Voor het hergebruik van bouwstoffen maakt het rapport van Moret Ernst & Young een onderscheid tussen "de herbruikbaarheid" en "het (her)gebruik". Dit is het verschil tussen datgene wat theoretisch op grond van het besluit mogelijk is, en dat wat zich door de marktwerking in de complexe bouwwereld zal kunnen voordoen. Geconcludeerd wordt dat de herbruikbaarheid niet gefrustreerd zal worden.
In de oorspronkelijke gedachte bij het besluit uit 1995 werden de kosten van het besluit op jaarbasis geraamd op f 161 miljoen. Dit was een voorzichtige raming omdat veel -mogelijk kostenbesparende- details van de uitvoeringsregeling nog niet waren uitgewerkt. Met die kostenbesparing kon dus ook geen rekening worden gehouden. Nu wordt verwacht dat de kosten op jaarbasis ca. 50 miljoen lager kunnen worden geraamd.

Voor een aantal knelpunten heeft minister de Boer inmiddels een aantal oplossingsrichtingen aangegeven. Niet ontzilt zeezand kan bij toepassing in een bouwwerk problemen opleveren als de directe omgeving gevoelig is voor het zout dat uitspoelt. Zij stelt daarom voor in het bouwstoffenbesluit een of hooguit twee klassen ontzilt te onderscheiden (d.w.z. verder ontzilt dan tot 200 mg CL/kg d.s).
De streefwaarden die de grens aangeven tussen schone en in meer of mindere mate belaste grond en bodem zullen in een A.M.v.B. worden vastgelegde die in de tweede helft van 1998 zal worden vastgesteld.

Voor avi bodemas wordt gesignaleerd dat de producenten de kwaliteit de komende jaren zo zullen verbeteren dat de bijzondere categorie voor dit product op termijn kan vervallen. Voor wat betreft het bromidegehalte van de avi bodemas blijkt die taakstelling niet eenvoudig. Producenten menen ook dat gezien het effect van deze verontreinigende stof op de bodem en het grondwater, het meer in de lijn ligt om de normstelling op dat grondwater af te stemmen dan op de droge bodem. Deze gedachtegang wil de minister wel volgen en nader uitwerken.

 

 


© Uitgeverij Noordhoek BV