Maatregelen voor scheepsafvalbedrijven voorgesteld

De ministers van VROM, V&W en Justitie hebben maatregelen aangekondigd om meer greep te krijgen op bedrijven die scheepsafval verwerken. Hierdoor zou een herhaling van een TCR affaire zich minder gemakkelijk kunnen voordoen.

Bericht:

Rubriek:

Zie ook:

27 mei 1998

Beleid & uitvoering

Scheepsafvalbedrijven willen ingrijpende veranderingen

Tanker Cleaning Rotterdam (TCR) overtrad begin van de jaren negentig massaal de milieuregels bij de verwerking van chemisch scheepsafval. Voor een deel werden deze zelfs direct in zee gedumpt. De affaire leidde in 1995 tot celstraffen voor de bedrijfsleiders.

De drie betroken ministers willen nu dat er duidelijke voorschriften komen voor het scheiden en mengen van afvalstoffen en dat er meer controle op de inzamelaars en verwerkers van scheepsafval komt. Veder moet ook de administratie en registratie van de bedrijven worden verbeterd. Schepen moeten meer afvalstoffen inleveren, wellicht met dwang van de havenautoriteiten of door het verlagen van de financiële drempel.

De aangekondigde maatregelen komen overeen met de voorstellen uit het eindrapport van de Commissie Havenontvanginstallaties en het rapport van de Inspectie Milieuhygiëne over de vergunningsituatie van tien gevaarlijk afvalverwerkende bedrijven. Beide rapportages zijn aan de Tweede Kamer aangeboden, gelijk met het eindverslag van de Stuurgroep Dapemo VVW. Deze laatste stelt voor een aantal verbeteringen aan de brengen in de administratieve organisatie, waardoor de overheid de ingaande stromen en de interne be- en verwerking beter kan volgen.

Concreet wordt voorgesteld de afgifte van scheepsafvalstoffen uit de zeevaart te verbeteren. Het gaat vooral om stoffen waarvan de afgifte nog niet verplicht is. Voorgesteld wordt om het serviceniveau van inzamelaars te verhogen. Ook de invoering van gedeeltelijke indirecte financiering door omslag van havengelden zou de afgiftedrempel moeten verlagen. Daarnaast wordt gekeken of havenautoriteiten de afgifte kunnen afdwingen.

Verder wordt voorgesteld om de tekortkomingen in de vergunningen te repareren en de administratie van de verwerkers van gevaarlijke (scheeps)afvalstoffen zodanig te verbeteren dat een sluitende relatie kan worden gelegd tussen de inkomende, uitgaande en verwerkte afvalstoffen. Ook zullen expliciete voorschriften voor het scheiden en mengen van gevaarlijke afvalstoffen worden opgesteld. Verder zal de informatie over de aard en samenstelling van de gevaarlijke afvalstoffen voor met name landstromen moeten worden verbeterd. Daarnaast wordt aanbevolen voor scheepsafvalstoffen over te gaan tot een systeem van betaling achteraf, gekoppeld aan de (gedeeltelijke) indirecte financiering. Hierdoor worden de controle mogelijkheden vergroot.

De inspectie beveelt vervolgens aan de beschikkingen op grond van de EVOA af te stemmen op de milieuvergunningen en te bekijken of de nauwkeurigheid van de beschrijving van de afvalstoffen vergroot kan worden. Dat betekent dat als bij invoer getwijfeld wordt aan de toereikendheid van de vergunning van de verwerker het ministerie van VROM dit bij het bevoegd gezag zal nagaan. Bij uitvoer wordt gekeken welke informatie het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen handhaven.

Tot slot wordt aanbevolen de handhaving bij complexe (risicovolle) bedrijven te organiseren in de vorm van handhavingsteams met deskundigheid op juridisch, technisch en administratie gebied. Hierin zal ook het ketenonderzoek en het ketentoezicht worden betrokken.

In een reactie zegt de heer Nijdam van de VOMS, de belangenorganisatie van scheepsafvalverwerkers, het voorgestelde plan nog onvoldoende te vinden. "Ook dit plan geeft geen oplossing voor de enorme versnippering aan regels en de sterk gedifferentieerde handhaving. Beleid en uitvoering moet veel eenvormiger zijn, en direct bij elkaar worden gebracht. Verder zijn nog tal van zaken onvoldoende uitgewerkt. Bijvoorbeeld over de financiering of over de regels van het mengen. Wij hebben voorgesteld om een stuurgroep afvalstoffen in het leven te roepen om meer helderheid te krijgen en de aansturing meer te centraliseren.

 


© Uitgeverij Noordhoek BV