Bericht:

Rubriek:

16 juli 1998

Jurisprudentie

Scoribel in gelijk gesteld over export van gevaarlijk afval

 

De Raad van State heeft een exportweigering van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing voorlopig geschorst. VROM had bij het besluit niet mogen vergeten om het rendement van de verwerkingswijze als geheel te beoordelen, zo motiveerde de voorzitter de schorsing. Het is de tweede keer in korte tijd dat VROM met het Meerjarenplan Gevaarlijk Afval wordt teruggefloten.

 

Op 25 juni oordeelde het Europese Hof dat het argument van het instant houden van een eigen verwijderingsstructuur niet geldt voor afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing. Deze uitspraak had betrekking op een exportweigering van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing op basis van het MJP-GA I. Nu heeft de Raad van State in een voorlopige voorziening bepaald dat de export van afvalstoffen voor hergebruikt via een zogenaamd combiprocédé bij de cementfabriek Ciment d'Obourg te België, waarbij 100% van de ingezette afvalstoffen wordt benut, niet had mogen worden geweigerd. Deze weigering was op basis van het MJP-GA II. Belangrijk bij deze uitspraak is de twijfel van de Voorzitter van de Raad van State of het Europese recht wel ruimte biedt aan de afzonderlijke lidstaten om aanvullende criteria te hanteren voor het bepalen of al dan niet sprake is van nuttige toepassing van afvalstoffen. Bovendien twijfelt de Voorzitter ook of de grenswaarden voor het calorisch gehalte van afvalstoffen die bepalen of sprake is van nuttige toepassing met energieterugwinning wel gerechtvaardigd kan worden.

Scoribel is een Belgisch bedrijf dat afval vanuit geheel Europa aantrekt om Ciments d'Obourg te voorzien van brandbaar materiaal ter vervanging van brandstof. Het bedrijf heeft ook nog een klacht ingediend bij de Europese Commissie, omdat zij het MJP-GA II in strijd vindt met het gemeenschapsrecht. Dit omdat het een inbreuk maakt op het vrije verkeer van goederen en het een onjuiste uitwerking is van de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) (zie: Scoribel tekent protest aan tegen MJP-GA II)

Waar ging het om

Het Ministerie van VROM heeft op 17 december 1997 bezwaar gemaakt tegen het voornemen van DSM Andeno om 12 ton ijzernoritafval uit te voeren naar België. Op 27 januari 1998 maakte het Ministerie op dezelfde gronden bezwaar tegen de uitvoer van steekvast zuiveringsslib door Gentenaar Cleanings. De uitgevoerde afvalstoffen zouden worden ingezet als grond- en brandstof bij Ciments d'Obourg, onderdeel van het Belgische Scoribel. Deze tekende bezwaar aan tegen de weigering bij de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

VROM beargumenteerde dat beide afvalstoffen moeten worden aangemerkt als gevaarlijke afvalstoffen en dat de voorgenomen verwerkingswijze van deze stoffen niet als een handeling van nuttige toepassing kan worden gezien, maar als een behandeling voor definitieve verwijdering. Want, zo stelde VROM, zuiveringsslib en ijzernoritafval hebben een calorische waarde van 4000 respectievelijk 10.000 KJ/kg en voldoen daarmee niet aan de in het Meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen II (MJP-GA II) genoemde ondergrens voor nuttige toepassing met als hoofdgebruik brandstof. Omdat volgens VROM in Nederland voldoende capaciteit voor de verwerking aanwezig is, maakt zij bezwaar tegen de uitvoer, om de zelfvoorziening op nationaal niveau niet in gevaar te brengen. Ook het argument van materiaal hergebruik kon VROM niet overtuigen. Het percentage dat voor materiaal hergebruik geschikt is is daarvoor onvoldoende.

Scoribel is echter van mening dat het Europese recht geen ruimte laat om aan de afzonderlijke lidstaten aanvullende criteria op te stellen om te bepalen of er al dan niet sprake is van nuttige toepassing. De gehanteerde criteria uit het MJP-GA II zijn dan ook in strijd met het Europese recht.

De Voorzitter van de Raad van State vatte het kernpunt van het geschil als volgt samen: kunnen de afvalstoffen ten behoeve van de Belgische cementindustrie worden aangemerkt als een vorm van nuttige toepassing, of als een vorm van definitieve verwijdering in de zin van de EVOA (overbrenging van afvalstoffen binnen de Europese Gemeenschap).

In de EVOA wordt nuttige toepassing gedefinieerd als 'hoofdgebruik als brandstof of een andere wijze van energieopwekking' of voor 'recycling/terugwinning van andere anorganische stoffen'. Maar in het MJP-GA II zijn door VROM aanvullende eisen opgesteld. Daarin wordt gesteld dat nuttige toepassing alleen geldt voor de verbranding van afvalstoffen boven een bepaalde calorische grenswaarde.

Besluiten geschorst

De Voorzitter betwijfelt of het Europese recht ruimte biedt aan de afzonderlijke lidstaten om aanvullende criteria te hanteren voor het bepalen of al dan niet sprake is van het nuttig toepassen van afvalstoffen. Omdat het hier over een principiële vraag gaat, wil de Voorzitter hierover niet definitief oordelen; daarvoor zal een beroepsprocedure moeten worden aangespannen.

Vervolgens merkt de Voorzitter wel op dat de EG-richtlijn over de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen niet op deze situatie betrekking heeft, omdat hierin eisen worden gesteld aan afvalverwerkingsinrichtingen en niet aan afvalstromen. Daarnaast is ter zitting gebleken dat de grenswaarden voor het calorisch gehalte van de afvalstoffen zijn gebaseerd op een studie bij een concurrent van Scoribel. Mede hierdoor twijfelt de voorzitter ook of die grenswaarden wel gerechtvaardigd zijn.

Opmerkelijk is het volgende deel van de uitspraak. Scoribel maakt voor de cementindustrie gebruik van een zogeheten combiprocédé, waarbij zowel sprake is van grondstofbenutting voor de fabricage van cementklinkers als dat de afvalstoffen worden ingezet als brandstof. De Voorzitter wijst er ter vergelijking op dat de afvalstoffen in de door VROM voorgestane verwerkingswijze bij de AVR alleen wordt ingezet als brandstof. Hierdoor blijft een restfractie over die gestort moet worden. Naar het oordeel van de Voorzitter had VROM bij het nemen van het besluit niet voorbij mogen gaan aan het feit dat in dit geval materiaalhergebruik en brandstofinzet verenigd zijn in één procestechniek. Gelet hierop bestond er alle aanleiding het rendement van deze verwerkingswijze als geheel te beoordelen. Voor afwijking van de gebruikelijke beoordelingsmethode was des te meer reden nu in het MJA-GA II zelf ten aanzien van nuttige toepassing door materiaalhergebruik wordt vermeld dat het niet mogelijk is om goed onderbouwde criteria te ontwikkelen voor het onderscheid tussen nuttige toepassing en definitieve verwijdering. Daarom zal van geval tot geval moeten worden beoordeeld op basis van de gegevens van de betreffende afvalstroom en de voorgestelde wijze van verwerken. 

 


© Uitgeverij Noordhoek BV