Artikel:

Rubriek:

Auteurs:

19 augustus 1998

beleid & uitvoering

M.M.M. Bolsius, P.F.H. Bont & E.P.Th. Ruwiel

Inhoud

Certificering wordt belangrijk voor toepassing van bouwstoffen

Op 1 juli 1999 zal het Bouwstoffenbesluit volledig van kracht worden. Het Bouwstoffenbesluit stelt eisen aan de toepassing van bouwstoffen in werken. Eťn van die eisen is een verklaring van de kwaliteit van een bouwstof. In dit artikel wordt een aantal hoofdstappen aangegeven die moet worden doorlopen om een erkende kwaliteitsverklaring te verkrijgen. Daarnaast worden enkele gevolgen voor het bedrijfsleven aangegeven.

Het Bouwstoffenbesluit heeft eigenlijk twee doelen. Aan de ene kant wil het de bodem en het oppervlaktewater beschermen en aan de andere kant handhaaft (en stimuleert) het besluit hergebruik van materialen in de bouw door het geven van duidelijke regels (zie kader). Om die doelen te bereiken stelt het Bouwstoffenbesluit regels aan de toepassing van bouwstoffen in werken. Met "werken" wordt bedoeld grondwerken, wegenbouwkundige of waterbouwkundige werken of bouwwerken. Het Bouwstoffenbesluit gaat uit van drie categorieŽn van bouwstoffen: categorie 1, categorie 2 en de bijzondere categorie. De bouwstoffen worden afhankelijk van de milieuhygiŽnische kwaliteit in deze categorieŽn ingedeeld. Categorie 1-bouwstoffen zijn relatief het "schoonst" en mogen zonder additionele maatregelen worden toegepast. Daarnaast wordt nog de categorie "schone grond" onderscheiden, die direct bodem mag worden. Categorie 2-bouwstoffen mogen alleen worden toegepast als er speciale isolerende maatregelen zijn genomen, zodat de bodem en het grondwater niet kunnen worden verontreinigd. Voor de isolerende maatregelen zijn regels opgesteld in de bijlage van het Bouwstoffenbesluit. De bijzondere categorie bouwstoffen zijn enkele bouwstoffen die specifiek zijn genoemd in het Bouwstoffenbesluit, omdat ze niet aan de eisen van categorie 2 kunnen voldoen. Tot de bijzondere categorie behoren AVI-bodemas en teerhoudend asfaltgranulaat. Bij toepassing van de bijzondere categorie bouwstoffen dienen extra maatregelen te worden genomen.

Bewijsmiddelen

Degenen die bouwstoffen toepassen in een werk moeten weten wat de kwaliteit van de bouwstof is. In een aantal gevallen dient een werk van tevoren te worden gemeld (namelijk bij toepassing van categorie 2 bouwstoffen en categorie 1 grond). Bij de melding moet de kwaliteit kunnen worden aangetoond aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag is de gemeente voor toepassingen in of op de landbodem of het waterschap voor toepassingen in oppervlaktewater. De kwaliteit kan worden aangetoond met een "bewijsmiddel van milieuhygiŽnische kwaliteit". Dit bewijsmiddel is om aan te tonen dat bij een (gewenste) toepassing van een bouwstof van categorie X, de kwaliteit van de bouwstof overeenkomt met de eisen die aan deze categorie worden gesteld. Leveranciers en producenten van bouwstoffen leveren in de praktijk de bewijsmiddelen aan degenen die de bouwstoffen willen toepassen. Het bewijsmiddel kan een erkende kwaliteitsverklaring - oftewel certificaat- binnen het Bouwstoffenbesluit zijn. Het is te vergelijken met een civieltechnisch certificaat in het kader van het Bouwbesluit. Met een dergelijk certificaat kan een toepasser in principe zonder verdere controle de toepassing van de bouwstof geaccepteerd krijgen. Gemeenten als bevoegd gezag hebben sterke voorkeur voor erkende kwaliteitsverklaringen als bewijsmiddel. Alternatief voor een erkende kwaliteitsverklaring is de partijkeuring. Hierbij wordt de toegepaste partij getoetst aan de eisen van het Bouwstoffenbesluit. In de meeste gevallen zullen partijkeuringen duurder zijn dan een erkende kwaliteitsverklaring.

Erkende kwaliteitsverklaring

Het milieuhygiŽnisch verantwoord afzetten van secundaire bouwstoffen is voor de producenten daarvan (waaronder de branche van afvalverwerkers) het belangrijkste gevolg van het Bouwstoffenbesluit. Om de afzet van secundaire bouwstoffen in de toekomst te kunnen garanderen zal het verkrijgen van erkende kwaliteitsverklaringen een belangrijke stap voorwaarts betekenen. Het verkrijgen van een erkende kwaliteitsverklaring voor een bouwstof verloopt in een aantal stappen.

Zie: Stappenplan voor het verkrijgen van een erkende kwaliteitsverklaring voor een bouwstof.

Rollen van betrokken partijen bij certificering

Tijden het proces van certificering zijn verschillende partijen betrokken ieder in hun eigen rol:
Producent. De producent zal in het proces zoveel mogelijk aan moeten geven hoe hij denkt dat hij op een zo efficiŽnt mogelijk wijze (uit te drukken in directe en indirecte kosten) kan garanderen dat zijn product voldoet aan de gestelde eisen.
Afnemer/toepasser. De afnemer zal in het proces zoveel mogelijk aan moeten geven dat hij overtuigd is dat de voorgestelde werkwijze ook voor hem voldoende zekerheid biedt dat het product aan de gestelde eisen voldoet.
Certificerende instelling. De certificerende instelling zal als onafhankelijke partij moeten functioneren tussen producent en afnemer. Daarnaast heeft hij een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de kwaliteit van het certificaat.
Overheid. De overheid speelt rondom certificering in het kader van het Bouwstoffenbesluit verschillende rollen:

Handleiding Certificering Bouwstoffenbesluit

Inmiddels is enige tijd ervaring opgedaan met een aantal pilotprojecten die het certificeringstraject hebben doorlopen. De Stichting Bouwkwaliteit heeft daaruit geconstateerd dat de diverse (concept-) beoordelingsrichtlijnen (BRL) per bouwstof toch wel meer verschillen vertoonden dan uit de verschillen tussen de bouwstoffen te verklaren was. De begeleidingscommissie van de pilotprojecten heeft daarom besloten om een richtinggevend document op te stellen: een Handleiding Certificering Bouwstoffenbesluit. De handleiding probeert zo concreet mogelijk aan te geven hoe een BRL geacht wordt eruit te zien, maar onderkent ook dat geen bouwstof hetzelfde is. Daarom is het ook mogelijk om met behulp van de Handleiding aan te tonen dat een ander wijze van invulling van de BRL ook aan dezelfde uitgangspunten voldoet. Hiervoor zal wel onderbouwend onderzoek moeten worden overlegd. De handleiding is voor gebruik beschikbaar.

Stand van zaken van certificering

Het traject van certificering is gestart met twaalf pilotprojecten die als voorbeeld moesten dienen voor andere bouwstoffen. Inmiddels zijn er al meer dan twintig officieel aangemelde initiatieven voor het certificeren van bouwstoffen. Secundaire bouwstoffen zijn hierbij enigszins in de meerderheid. De meeste projecten hebben geleid tot concept BRL'n die nu klaarliggen voor de toetsing door de Harmonisatiecommissie Bouw.

Gevolgen voor het bedrijfsleven

Voor de inwerkingtreding van het Bouwstoffenbesluit is door Moret Ernst & Young een evaluatie ex ante uitgevoerd. Een evaluatie ex ante betreft evaluatie van wetgeving die nog niet in werking is getreden. Hierbij wordt gekeken naar de effecten van de inwerkingtreding en in het geval van het Bouwstoffenbesluit is in de evaluatie ex ante tevens onderzocht of de betrokken partijen "klaar waren voor inwerkingtreding". Voor de evaluatie ex ante van het Bouwstoffenbesluit zijn onder meer de effecten op het (huidig) hergebruik onderzocht. Ook zijn de gevolgen voor bedrijfsleven onderzocht, en dan vooral voor producenten en aanbieders van bouwstoffen en de toepassers daarvan. Hieruit kwam naar voren dat het bedrijfsleven op meerdere manieren wordt beÔnvloed door de eisen van het Bouwstoffenbesluit. De twee belangrijkste zijn:

Het gevolg hiervan is dat bedrijven, die verder in de keten zitten, ook door de maatregelen worden beÔnvloed. Te denken valt bijvoorbeeld aan toeleveranciers voor het produceren van bouwstoffen of aannemers in de bouw. Het RIVM heeft in samenwerking met de Dienst Weg- en Waterbouw (DWW) van Rijkswaterstaat de extra kosten voor het bedrijfsleven ten gevolge van het Bouwstoffenbesluit uitgerekend. Dit betreft een bedrijfseffectentoets (BET) waarbij alleen de extra kosten die door bedrijven in de lijn ontdoener-verwerker-toepasser moeten worden gemaakt door de inwerkingtreding van het Bouwstoffenbesluit. Effecten van de tweede orde treden op na afwenteling van de kosten tussen verschillende betrokken partijen. In april 1998 zijn deze resultaten naar de Tweede Kamer gestuurd. Op dit moment wordt er een aanvullende BET opgesteld voor een aantal geselecteerde bouwstoffen. Hierbij zullen dan wel de tweede orde markteffecten worden meegenomen.

M.M.M. Bolsius, P.F.H. Bont & E.P.Th. Ruwiel
ir. M.M.M. Bolsius is consultant, drs. P.F.H. Bont is managing consultant bij Moret Ernst & Young Management Consultants en beide zijn betrokken bij de ex-ante evaluatie van het Bouwstoffenbesluit. Drs. E.P.Th. Ruwiel is senior beleidsmedewerker bij het ministerie van VROM, afdeling Bodembescherming en Bodemkwaliteit en bestrokken bij het opstellen van het Bouwstoffenbesluit.


© Uitgeverij Noordhoek BV