Bericht:

Rubriek:

22 oktober 1998

Wet- & regelgeving

Kamervragen over afvalbeleid

Tijdens de begrotingsbehandeling van het Ministerie van VROM in de Tweede Kamer is een aantal vragen gesteld aan minister Pronk over de voortgang van het Nederlandse afvalbeleid.

 

De heer Klein Molekamp (VVD) stelde dat de wijze waarop de milieubelasting wordt opgelegd, leidt tot een belemmering voor het hergebruik van afvalstoffen. Hij vroeg de minister daarover overleg te hebben met Financiën. Maar Pronk vond daar nog geen aanleiding toe. Hij zegde het overleg pas toe als uit het onderzoek naar knelpunten bij hergebruik van afvalstoffen mocht blijken dat de belasting op grond van de Wet belasting op milieugrondslag een belemmering voor het hergebruik vormt

 

De Tweede Kamer vond ook de inzameling van kunststof afval verre van optimaal en wilde van de minister weten welke voorstellen kunnen worden gedaan met betrekking tot nieuwe kansen voor verdere scheiding aan de bron. De minister antwoordde dat mede als uitvloeisel van het convenant verpakkingen momenteel hard wordt gewerkt aan het verbeteren van de scheiding aan de bron van kunststof afval dat vrijkomt bij bedrijven. Deels gebeurt dit door regelgeving, deels door stimuleringsmaatregelen.
Bovendien zal in het kader van de zogenaamde 8.40 amvb's (algemene regels voor bedrijven) scheiding van kunststofafval bij verschillende groepen van bedrijven verplicht worden gesteld. Zo wordt bijvoorbeeld de detailhandel binnenkort verplicht kunststoffolie dat als verpakkingsmateriaal wordt gebruikt, gescheiden in te zamelen en her te gebruiken.
'Voor huishoudens wordt scheiding van kunststof aan de bron niet overwogen. Het vele onderzoek dat hiernaar is uitgevoerd geeft aan dat de kosten van gescheiden inzameling niet opwegen tegen de (milieuhygiënische) baten. In zo'n situatie moeten de burgers niet worden belast met nog een extra afvalbak in de keuken', aldus de minister.

 

Een belangrijk discussiepunt was hoe de administratieve lasten als gevolg van de Wet milieubeheer verder kunnen worden teruggedrongen. In het regeerakkoord is opgenomen dat de administratieve lastendruk voor bedrijven van de Wet milieubeheer verminderd moet worden, zonder afbreuk te doen aan het vereiste beschermingsniveau. Dit voornemen zal gestalte krijgen door:

 

Verder vroeg de heer Poppe (SP) een reactie op de door hem voorgestelde verwijderingsladder voor gevaarlijke afvalstoffen. In deze ladder wordt er de voorkeur aan gegeven gevaarlijke afvalstoffen, waarvan het ontstaan niet kan worden voorkomen en die niet binnen het eigen bedrijf kunnen worden hergebruikt, te laten hergebruiken door nabijgelegen inrichtingen, dan wel te laten verwerken door de dichtstbijzijnde afvalverwerker. Maar veel zal de minister er verder niet meedoen: "de eerste twee sporten van zijn ladder onderschrijf ik van harte. Ook zijn gedachte om gevaarlijke afvalstoffen te laten verwerken zo dicht mogelijk bij de bron waar zij ontstaan, acht ik sympathiek. Je beperkt er het transport van de afvalstoffen zoveel mogelijk mee. Wat ik me echter wel afvraag is, of de methode van hergebruik of van verwerking op de dichtstbijzijnde plaats wel de meest gewenste methode is. In het Meerjarenprogramma verwijdering gevaarlijke afvalstoffen wordt voor de verwijdering van de afvalstoffen een minimumstandaard gegeven. Deze minimumstandaard geeft de meest milieuvriendelijke en de uit hergebruik meest optimale methode aan. Aan deze minimumstandaard hecht ik sterk. Indien nu de dichtstbijzijnde mogelijkheid van hergebruik of van verwerking wordt gekozen, dan heb je weliswaar de milieuvoordelen van het beperkte transport, maar je bereikt er waarschijnlijk niet het maximale hergebruik of de meest milieuvriendelijke verwerkingsmethode mee. Daarnaast geldt, dat het binnen een vrij verkeer van goederen en diensten niet goed mogelijk is om voor te schrijven door wie de afvalstoffen moeten worden hergebruikt of verwerkt. In het geval van hergebruik van afvalstoffen heeft de Europese Unie zelfs bepaald, dat de grenzen daarvoor open dienen te zijn. We zullen dus moeten toestaan, dat de afvalproducent zijn afval laat verwerken door een verwerker (als deze tenminste een even grote mate van hergebruik realiseert als dat in Nederland zou kunnen). Het opleggen van een verplichting om het afval door de dichtstbijzijnde verwerker te laten verwerken acht ik daarom binnen de Europese context niet mogelijk. Het voorschrijven van een minimumstandaard voor de verwerking acht ik dan ook een meer effectief systeem. De heer Poppe stelt voor het voornemen om gevaarlijk afval buiten de inrichting te verwijderen te laten melden, waarbij het meldpunt bepaalt waar het afval moet worden verwerkt. Ook dit acht ik binnen de Europese regelgeving niet mogelijk. Binnen de Europese regelgeving zijn de ondernemingen vrij naar eigen goeddunken hun eigen afvalstoffenverwerker te kiezen."

"Ten aanzien van het punt van de verantwoordelijkheid van de ontdoender voor de verwijdering van zijn afvalstoffen, verwijs ik naar het advies van de Commissie Hoogland. Wij hebben dat advies op 3 september in de vaste commissie besproken. In dat advies wordt, voor bepaalde afvalstoffen uit de zeevaart, aanbevolen een intermediair in het leven te roepen. De ontdoener betaalt aan de intermediair en deze intermediair betaalt de verwerker, maar pas nadat het afval op een goede wijze is verwerkt. Ik acht dat op zich een goede systematiek en zou de uitwerking en de ervaringen in de praktijk daarmee willen afwachten, alvorens mij uit te laten over alternatieven zoals door de heer Poppe nu zijn aangedragen. Ik ben wel bereid om te onderzoeken wat de (milieu)gevolgen zijn van het toepassen van de systematiek van indirecte financiering en intermediair, zoals aanbevolen door de Commissie Hoogland, op andere afvalstoffen dan scheepsafvalstoffen. Ik zal de Kamer daarover te gelegener tijd informeren", aldus de Minister

 

De heer Klein Molekamp (VVD) vroeg of secundaire grondstoffen die aan de criteria van het Bouwstoffenbesluit voldoen, niet van de stortbelasting moeten worden vrijgesteld. Dat lijkt niet het geval. Momenteel wordt in overleg met het ministerie van Financiën gewerkt aan het opstellen van een bouwmaterialenbalans op grond waarvan kan worden vastgesteld hoeveel bouwstoffen een stortplaats nodig heeft bij het inrichten, bedrijven en afwerken van die stortplaats. Voor die hoeveelheid zal dan geen belasting verschuldigd zijn. Het voorstel van de heer Klein Molekamp zou er toe leiden dat heel veel secundaire bouwstoffen goedkoop gestort gaan worden omdat dit in een aantal gevallen goedkoper zal zijn dan het hergebruik van deze materialen als bouwstof in een andere toepassing. Dit is uit een oogpunt van hergebruik en het minimaliseren van het storten niet gewenst.

 

Verder drong de Kamer er ook bij deze minister weer eens op aan om meer slib her te gebruiken. Achtergrond van deze vraag zijn de mogelijkheden voor verwerking van slib, die 'waarschijnlijk' kostbaar zijn. De minister stelde een kostenvergelijking in het vooruitschiet, die hij binnenkort naar de kamer zou toesturen 


© Uitgeverij Noordhoek BV