Bericht:

Rubriek:

9 april 1999

Beleid & uitvoering

VVAV vangt bot bij Vermeend

Staatsecretaris Vermeend van Financiën gaat niet op het verzoek van de Vereniging van Afvalverwerkers (VVAV) in om de afvalstoffenbelasting aan te passen. De VVAV had de Staatsecretaris geschreven dat een aantal stortactiviteiten niet meer rendabel zijn als de Wet belastingen op milieugrondslag wordt uitgevoerd zoals het Ministerie van Financiën dat op dit moment doet.

Het gaat de VVAV vooral om het feit dat alles wat bij een stortlocatie wordt aangeboden, wordt beschouwd als eindverwerking en ook als zodanig wordt belast. Vermeend meldt de VVAV dat in de Wet dit ook uitdrukkelijk zo is geformuleerd. 'Een stortplaats kan als zodanig niet als een nuttige toepassing van afvalstoffen worden aangemerkt.' Hij wijst op het onderscheidt tussen een (bouwkundig)werk en een stortplaat. Daarom zou binnen een stortplaats zo min mogelijk stoffen moeten worden toegepast, die elders als bruikbare materialen kunnen worden verwerkt. Verder spreekt Vermeend de door de VVAV geopperde cash-flow verliezen tegen. Deze zouden ontstaan door eerst belasting te betalen over de stoffen die de stortplaats in worden gebracht, en later deze te verrekenen met de herbruikbare stoffen die de locatie met dat doel hebben verlaten. Een uitzondering wordt gemaakt voor grond, waarvoor dit wel het geval zou zijn.

De VVAV heeft bij de Staatsecretaris nog met verschillende andere argumenten aangegeven, waarom de afvalstoffenbelasting voor stortplaatsen onrechtvaardig is en tot ongewenst en zelfs strafbaar ontwijkgedrag aanleiding is. Vermeend is echter niet van mening dat door de afvalstoffenbelasting het economisch onhaalbaar zou worden stortplaatsen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te laten werken. Volgens hem betekent het juist dat met afval bewuster wordt omgegaan. In zijn bijzonder uitvoerig antwoord gaat Vermeend op ieder aangedragen punt uitgebreid in. Opmerkelijk is dat hij daarbij de redeneringen van de VVAV niet logisch vindt of niet begrijpt, ondanks dat er veelvuldig overleg heeft plaatsgevonden. Hij concludeert dan ook dat er niet zozeer sprake is van problemen of van onduidelijkheden in de fiscale wetgeving, maar van verschil in inzicht over de wijze waarop het storten van afval in de belastingheffing kan worden betrokken. Hij ziet dan ook geen reden om ook meer een van de door de VVAV aangedragen suggesties over te nemen.

 


© Uitgeverij Noordhoek BV