Bericht: Rubriek: |
30 september 1999 | |
Aan de analyse liggen twintig diepte-interviews ten grondslag: vijftien met
beleidsmedewerkers van diftargemeentes, en vijf in gemeentes die geen diftar hebben
ingevoerd. Het toepassen van tariefdifferentiatie blijkt gemiddeld 15-20 procent minder
afvalaanbod tot gevolg te hebben. De scheidingspercentages liggen 10-25 procent hoger dan
in gemeentes zonder diftar. "Maar", zo waarschuwt het rapport, "op grond
van de goede ervaringen van gemeenten die in de afgelopen jaren een vorm van
tariefdifferentiatie voor huishoudelijk afval hebben toegepast, kan nog geen algemeen
geldend advies voor alle andere gemeenten worden afgeleid." Dit komt omdat
diftargemeentes een aantal duidelijke gemeenschappelijke kenmerken hebben, zoals relatief
weinig inwoners en een lage verstedelijkingsgraad. Wanneer juist deze kenmerken
doorslaggevend zouden zijn bij de invoering van diftar (hetgeen voor de hand ligt, hoewel
KPMG er geen duidelijke uitspraak over doet), kunnen de resultaten natuurlijk niet zomaar
toegepast worden op gemeentes die die kenmerken niet hebben.
Een tweede relativering die de onderzoekers bij hun positieve conclusies aanbrengen,
betreft het ontwijkgedrag. Daar waar de daling van het afvalaanbod niet volledig verklaard
kan worden uit het beschikbare cijfermateriaal, moet men rekening houden met een flinke
mate van ongewenst ontwijkgedrag. Maar dit is, bij gebrek aan feitelijke gegevens, slechts
een aanname. Voorwaar geen opzienbarende conclusies. Althans niet voor een rapport dat de
subtitel 'onderzoek naar de feiten' draagt.