Bericht:

Rubriek:

10 december 1999

Beleid & uitvoering

Veranderingen in het afvalstoffenbeleid per 1 januari 2000

[Op 10 december is door het Afval Overleg Orgaan (AOO) een brief aan de afvalsector gestuurd om de wijzigingen die per 1 januari 2000 in werking treden toe te lichten. De brief is mede een initiatief van het ministerie van VROM. Hieronder volgt de tekst]

 

Met ingang van 1 januari 2000 worden enkele nieuwe regelingen in het afvalstoffenbeleid van kracht. Een voorbehoud geldt nog voor de Wet belastingen op milieugrondslag. Deze is door de Tweede Kamer geaccepteerd, maar moet nog voor het kerstreces in de Eerste Kamer behandeld worden. Bij deze bekendmaking zijn informatiebladen over de wijzigingen opgenomen, die door het Ministerie van VROM zijn opgesteld. De voorgenomen wijzigingen betreffen:

  1. Wijziging Afvalstoffenbelastingen op milieugrondslag
    Het Belastingplan 2000 voorziet in een aantal wijzigingen van de Wet belastingen op milieugrondslag, waaronder per 1-1-2000 een verhoging van de belasting op te storten brandbaar afval. Ingegaan wordt op de concrete maatregelen en op de wijze waarop met uitvoeringsaspecten wordt omgegaan.
  2. Openstelling provinciegrenzen voor te storten brandbaar afval
    Per 1 januari 2000 worden de provinciegrenzen voor brandbaar afval opgeheven. Ingegaan wordt op de betekenis daarvan voor de sturing van afvalstromen.Onder deel daarvan is het begrip volumieke massa en hoe deze te bepalen
  3. Uitbreiding stortverboden afvalstoffen
    Per 1-1-2000 wordt het stortverbod uitgebreid met een stortverbod voor klein wit- en bruingoed. Vanaf deze datum moeten gemeenten ook het kleine wit- en bruingoed gescheiden inzamelen. Gemeenten wordt geadviseerd om de bij inzameling aan te sluiten bij de huidige inzamelmethode voor groot wit- en bruingoed. Bijvoorbeeld grof vuilinzameling, wit- en bruingoedinzameling, chemokar en het brengpunt. Aanvullend hierop kan ook worden ingezameld via de detailhandel. Om de mogelijkheden hiervan te onderzoeken heeft het Ministerie van VROM proefprojecten gefinancierd. De resultaten zijn beschreven in het Informatiedocument "Proefprojecten inzameling klein wit- en bruingoed". Het informatiedocument kan gratis bij het Informatiecentrum Preventie en Hergebruik van het Afval Overleg Orgaan worden opgevraagd.
  4. Regeling niet-herbruikbaar en niet-verbrandbaar bouw- en sloopafval
    Eveneens per 1-1-2000 wordt het stortverbod voor niet herbruikbaar bouw- en sloopafval uitgebreid met brandbaar bouw- en sloopafval.

Bij deze bekendmaking zijn zoals gezegd informatiebladen gevoegd, waarin de wijzigingen afzonderlijk toegelicht.

Mocht u behoefte hebben aan nadere informatie, dan kunt u bellen met het Informatiecentrum Preventie en Hergebruik van het Afval Overleg Orgaan, telefoon 030-234 35 52.

Met vriendelijke groet,

 

 

H.G.  Ouwerkerk        R. Rense


Wijziging Afvalstoffenbelastingen op milieugrondslag

Wat verandert er?

Per 1 januari 2000 wordt de regeling van de afvalstoffenbelasting in de Wet belastingen op milieugrondslag veranderd. Het betreft twee belangrijke veranderingen. De eerste is dat het tarief voor het storten van in beginsel brandbare afvalstoffen wordt verhoogd met fl. 75,- per ton waardoor het tarief op fl. 141,66 per ton komt. Het lage tarief van de afvalstoffenbelasting wordt verlaagd tot fl. 27,29 per ton.

De tweede verandering is dat het hoge tarief niet langer is gekoppeld aan het criterium "brandbaar waarvoor een stortverbod geldt", zoals dat nu het geval is, maar zal worden verbonden aan de volumieke massa. Afvalstoffen met een volumieke massa van meer dan 1100 kg/m3 vallen onder het lage tarief, die met een volumieke massa van minder dan 1100 kg/ m3 vallen onder het hoge tarief. Deze grens is gekozen omdat deze redelijk goed overeenkomt met het onderscheid brandbaar/niet-brandbaar.

Ten aanzien van de uitzonderingen verandert er niet veel: niet-reinigbare verontreinigde grond en baggerspecie en asbest blijven uitgezonderd van de belasting, evenals ontinktingsresidu (tot 2001). Wel wordt als uitzondering op de volumieke-massa-regeling het lage tarief gerekend voor gevaarlijke afvalstoffen (gaat om onbrandbaar afval in de C2- en de C3-klasse), shredderafval en straalgrit. GFT-afval dat wordt gestort valt voortaan wel onder de belasting.

Waarom deze veranderingen?

Met de verhoging van de belasting op het storten van (brandbaar) afval wordt beoogd het verbranden van afvalstoffen concurrerend te maken ten opzichte van het storten, zodat de vollast van de afvalverbrandingsinstallaties (AVI's) is verzekerd. Dit is door de minister van VROM als voorwaarde gesteld voor de politiek breed gedragen wens de provinciegrenzen voor afvalstoffen te laten vervallen.

De verandering van de systematiek op grond waarvan wordt bepaald welk tarief van toepassing is, is nodig om de uitvoerbaarheid en de controleerbaarheid van de regeling te vergroten en daarmee de fraudegevoeligheid te verkleinen. Deze systematiek is in overleg met stortplaatsbeheerders, de VVAV en provincies bepaald.

Gevolgen voor de uitvoering

Volumieke massa

Voor de bepaling van de volumieke massa dient de massa van het aangeboden afval gedeeld te worden door het volume van de container waarmee deze afvalstoffen worden aangeboden. Hiervoor is het noodzakelijk om de containers, waarmee afval dat voor het lage tarief wordt aangeboden, van gewaarmerkte volumeaanduidingen te voorzien. Hiervoor worden nog nadere regels opgesteld die voorzien in een onafhankelijke vaststelling van het volume van de containers. Omdat dit de nodige tijd vergt, zal vanaf 1-1-2000 worden voorzien in een tijdelijke regeling waarover op korte termijn een brief wordt rondgestuurd.

Secundaire grondstoffen

Net als in de huidige regeling het geval is, wordt in de nieuwe regeling belasting geheven over alle afvalstoffen die aan de inrichting worden aangeboden. Wel wordt uitgegaan van een ander criterium voor wat wel en wat niet als een afvalstof die wordt gestort, wordt aangemerkt. In de nieuwe regeling vervalt het criterium van de "positieve reŽle prijs" en wordt aangesloten bij de definitie van het begrip afvalstoffen, zoals die is opgenomen in de Wet milieubeheer. Dit heeft tot gevolg dat per geval moet worden beoordeeld of een stof een afvalstof is of niet. Hierbij wordt uitgegaan van de volgende interpretatie.

Omdat een stortplaats een inrichting is voor de definitieve verwijdering van afvalstoffen, kan ervan worden uitgegaan dat alle stoffen, preparaten en producten die aan de stortplaats worden aangeboden, afvalstoffen zijn, tenzij het gaat om materialen die door de stortplaats worden aangeschaft voor bedrijfsprocessen of investeringen, zoals het tot-stand-brengen van voorzieningen op de stortplaats. Voor zover het daarbij steenachtige materialen betreft, gaat het dan om alle materialen, die voldoen aan de normen van het Bouwstoffenbesluit, die als bouwmateriaal (bijvoorbeeld met certificaat of partijkeuring) worden geleverd en die als bouwstof worden toegepast.

Gecombineerde inrichtingen en de "in-uit-methode"

Ten aanzien van het bewerken van afvalstoffen binnen een inrichting waar ook afvalstoffen worden gestort, is in het wetsvoorstel de in de praktijk reeds toegepaste "in-uit-methode" opgenomen. Dit is aangevuld met een bij ministeriŽle regeling vast te stellen rekenregel waarmee massaverlies door verdamping, afbraak of de eigen toepassing kan worden verrekend. Hiermee kan worden voorkomen dat gecombineerde inrichtingen vanwege de belastingheffing in het nadeel zijn van bewerkingen die niet op een stortplaats plaatsvinden. Uit overleg met de VVAV is gebleken dat deze methode op bezwaren stuit bij de stortplaatsbeheerders, waaronder het financieringsnadeel. In overleg met de VVAV zal worden bezien of tot een betere methode kan worden gekomen. Tot die tijd zal de Belastingdienst in voorkomend gevallen een rekenregel per inrichting waar afvalstoffen worden bewerkt, hanteren.

 

Het begrip volumieke massa en hoe deze te bepalen

Inleiding

In de wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag, artikel 18, lid 2, vallen afvalstoffen onder het lage tarief van de afvalstoffenbelasting indien de afvalstoffen een volumieke massa hebben van meer dan 1100 (kg/m3) (zie de factsheet over de Wbm). Dit betekent dat, indien een ontdoener in aanmerking wil komen voor het lage tarief van de belasting, aangetoond zal moeten worden dat de volumieke massa meer dan 1100 kg/m3 bedraagt. Het hoge tarief van de afvalstoffenbelasting geldt voor alle afvalstoffen die worden aangeboden met een volumieke massa van minder dan 1100 kg/m3 en afvalstoffen die worden aangeboden in niet identificeerbare containers. Omdat de volumieke massa van een partij afvalstoffen wordt bepaald door de massa te delen door het containervolume, betekent het niet volledige gevuld aanleveren van containers dat de volumieke massa van het afval omlaag gaat en mogelijkerwijs onder de 1100 kg/m3 komt. In dat geval is het hoge tarief verschuldigd, ook al heeft de afvalstof een hogere soortelijke massa dan 1100 kg/m3.

Voor het bepalen van de volumieke massa is het noodzakelijk het volume te kennen van de containers waarmee de afvalstoffen op de stortplaats worden aangeboden. Bij de aanbieding van de afvalstoffen wordt de massa bepaald door weging op de weegbrug. De stortplaatsexploitant dient in een administratief systeem zowel het vastgestelde gewicht als het volume van de container te registreren en in het daaraan gekoppelde administratieve systeem een doorberekening van het hoge dan wel lage Wbm-tarief te registreren. Voor een volumieke massa lager dan de vastgestelde grens van 1.100 (kg/m3) wordt het hoge tarief van de afvalstoffenbelasting in rekening gebracht, tenzij het afvalstoffen betreft die eveneens in artikel 18, lid 2, Wbm zijn uitgezonderd.

Om het volume te bepalen van een container bij acceptatie van afvalstoffen op een stortplaats, is het van belang dat iedere container is voorzien van een uniek registratienummer gekoppeld aan het volume. De aanbieder van het afval dient het registratienummer en de volume-aanduiding op een vast bevestigde plaat op de container aan te brengen. De stortplaatsbeheerder gebruikt deze informatie om de volumieke massa van het afval te bepalen.

Invoering in twee stappen

Een goed uitvoerbare regeling betekent dat gebruik gemaakt wordt van containers waarvan het volume door een onafhankelijke instantie is vastgesteld en door die instantie de container is voorzien van een unieke identificatie. Omdat het ijken van containers voor het transport van afvalstoffen geen gangbare praktijk is, is het niet mogelijk op een korte termijn een dergelijke eis te stellen. Daarom wordt eerst voorzien in een overgangsregeling, die zo spoedig mogelijk zal worden omgezet in een definitieve regeling.

De tijdelijke regeling

Voor de tijdelijke regeling wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de gangbare praktijk. Er wordt veelal gebruik gemaakt van containers die qua grootte/volume in diverse categorieŽn zijn in te delen. De containers zijn veelal volgens standaardmaten geproduceerd en hebben een bekend volume. De containers zijn door de eigenaren met het oog op een administratief volgsysteem veelal van een uniek registratiekenmerk voorzien doordat een nummer op de container is aangebracht. De toekenning van dit registratiekenmerk is bedrijfsgebonden.

In praktijk kan het dus zijn dat twee of meer bedrijven de containers op identieke wijze van een registratiekenmerk voorzien.

De permanente regeling

De komende tijd wordt gewerkt aan het opzetten van een landelijk registratiepunt dat aan een container een uniek registratienummer, los van de registratienummers die de eigenaren hanteren, toekent. Door medewerkers van dit registratiepunt zal tevens het volume van de container worden bepaald. Dan zullen in ieder geval de containers die in de overgangsperiode zijn gebruikt om afvalstoffen die onder het lage tarief vallen aan te bieden, bij het landelijke registratiepunt moeten worden aangemeld. In de op te stellen amvb o.g.v. artikel 18, lid 4, Wbm zal dit worden uitgewerkt. Deze regeling zal in het voorjaar van kracht worden.

 

Openstelling provinciegrenzen voor te storten brandbaar afval

Wat verandert er?

Op 1 januari 2000 worden de provinciegrenzen voor te storten brandbaar afval opgeheven. Er wordt dan een Koninklijk Besluit van kracht waarmee de artikelen van de Wet milieubeheer in werking treden op grond waarvan het verboden wordt om in de provinciale milieuverordeningen regels op te nemen die het naar of uit de provincie brengen van afvalstoffen beperken of uitsluiten. Tegelijkertijd wordt in een MinisteriŽle Regeling bepaald dat dit niet geldt voor niet-brandbare afvalstoffen.

In zijn brief van 25 mei 1999 heeft de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer de Tweede Kamer aangegeven dat de provinciegrenzen kunnen worden opgeheven wanneer aan de voorwaarde is voldaan dat de stortbelasting op brandbaar afval zodanig wordt verhoogd dat de vollast van de AVI's tegen bedrijfseconomisch verantwoorde tarieven voldoende is verzekerd. Dit is met de verhoging per 1-1-2000 het geval.

Waarom deze veranderingen?

Het opheffen van de provinciegrenzen past in de overgang naar een landelijke sturing van afvalstromen in plaats van een provinciale of regionale sturing. Tevens geeft het openstellen van de provinciegrenzen meer ruimte voor marktwerking omdat het ontdoeners van te storten brandbaar afval vrij staat te bepalen aan welke stortplaats binnen Nederland zij het afval aanbieden.

Wat geldt voor niet-brandbare afvalstoffen?

Het tijdstip van opheffen van de provinciegrenzen voor niet-brandbare afvalstoffen is afhankelijk gesteld van het antwoord op de vraag of er voor de provincies onoplosbare knelpunten optreden bij de uitvoering van de Leemtewet bodembescherming. Het bureau Afval Overleg Orgaan zal de uitvoering van deze wet en de gevolgen voor de storttarieven in beeld brengen. Naar verwachting zal hierover eind december 1999 duidelijkheid komen.

Gevolgen voor de ontheffingen van het besluit stortverbod afvalstoffen

Evenals dat het de afgelopen jaren het geval is geweest, zal ook in 2000 een hoeveelheid brandbaar afval bij gebrek aan andere verwijderingmogelijkheden moeten worden gestort. Het zal naar schatting gaan om circa 1.5 miljoen ton. Voor het storten van dat overschot zal net zoals dat thans het geval is de procedure van artikel 4 van het besluit stortverbod afvalstoffen moeten worden gevolgd. In het kort komt die procedure er op neer dat de gedeputeerde staten een ontheffing van het stortverbod kunnen verlenen nadat de Minister van VROM heeft vastgesteld dat de afvalstoffen waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd daadwerkelijk niet anders dan door storten kunnen worden verwijderd. Tot en met 1999 speelde bij het afgeven van die verklaringen en ontheffingen het zogenaamde verdeelplan overschot brandbaar afval, een belangrijke rol. In dat verdeelplan werden jaarlijks afspraken tussen provincies vastgelegd over de verdeling van het overschot aan brandbaar afval over de provincies. Uitgangspunt daarbij was provinciale zelfvoorziening. Met ander woorden: ontdoeners van brandbaar afval dat bij gebrek aan andere verwijderingmogelijkheden moest worden gestort, waren verplicht het afval te storten op een stortplaats in de provincie waaruit het afval afkomstig was.

Met ingang van 1 januari 2000 vervallen de provinciegrenzen voor brandbaar afval en is het dus niet meer mogelijk om als provincies afspraken te maken over de verdeling van het brandbaar afval. Daarmee zouden immers in strijd met de wet, de provinciegrenzen voor dit afval toch in stand worden gehouden. Na 1 januari 2000 staat het de ontdoeners dus vrij om zelf te bepalen waar zij met het overschot aan brandbaar afval heen gaan. In beginsel kunnen zij dat afval aan elke, in Nederland gevestigde stortplaats aanbieden.

Voorwaarden daarbij zijn uiteraard wel dat de vergunningvoorschriften van de desbetreffende stortplaats het mogelijk maken dat daar brandbaar afval wordt gestort en dat de stortplaats beschikt over een ontheffing van het stortverbod. De procedure voor het aanvragen van een ontheffing van het stortverbod ondergaat, zoals gezegd, geen wijziging. Wel zullen provincies bij het verlenen van aanvragen van een verklaring op grond van artikel 4 van het Besluit stortverbod afvalstoffen moeten aangegeven dat zij de ontheffing aan een stortplaats zullen verlenen onder de bepaling dat de ontheffing niet meer geldt als door de minister van VROM wordt aangegeven dat de vollast van de AVI's in gevaar dreigt komen.

Elke stortplaatsexploitant kan voor een hoeveelheid afval waarvoor aannemelijk lijkt dat deze aan de betreffende stortplaats wordt aangeboden, ontheffing krijgen. Vooralsnog zal de eerste serie ontheffingen in 2000 voor een periode van 4 maanden worden verleend. Mocht onverhoopt toch leegstand bij een AVI dreigen, dan zullen de ontheffingen van alle stortplaatsen collectief worden ingetrokken.

 

Uitbreiding stortverboden afvalstoffen

Wat verandert er?

Met ingang van 1-1- 2000 treedt het stortverbod voor categorie klein wit- en bruingoed in werking.

Waarom deze veranderingen?

Het stortverbod geeft invulling aan de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalstoffen en dient ertoe om te voorkomen dat afvalstoffen die nuttig toegepast of verbrand kunnen worden, worden gestort. Voor wit- en bruingoed geldt daarbij dat per 1-1-2000 de producenten voor klein wit- en bruingoed verplicht zijn de door hen op de markt gebrachte apparaten terug te nemen als deze weer aan hen worden aangeboden door gemeenten en detailhandel.

Toekomstige uitbreidingen stortverbod

Eind 2000 zal een voorstel tot wijziging van het stortverbod in werking treden waarin in verdere uitbreidingen ervan met categorieŽn afvalstoffen wordt voorzien. Daarin wordt ook een bouwmaterialenbalans geÔntroduceerd. De bouwmaterialenbalans houdt in dat afvalstoffen, waarvoor een stortverbod geldt, wel mogen worden gestort tot een in de bouwmaterialenbalans aangegeven maximum. Dit voor zover de afvalstoffen worden gebruikt in het kader van de exploitatie van de stortplaats. In een ministeriŽle regeling wordt de bouwmaterialenbalans nader uitgewerkt.
De stortverboden welke uit de implementatie van de Richtlijn storten voortkomen zullen medio 2001 in werking treden.

 

Regeling niet-herbruikbaar en niet-verbrandbaar bouw- en sloopafval

Wat verandert er?

Het al bestaande stortverbod voor niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval wordt per 1-1-2000 uitgebreid met een stortverbod voor brandbaar bouw- en sloopafval.

Het stortverbod treedt in werking vanaf 1 januari 2000. Echter vanwege een overgangstermijn die in het Besluit stortverbod afvalstoffen is genoemd, zal het verbod op brandbaar bouw- en sloopafval daadwerkelijk per 1 april 2000 effectief worden.

Waarom deze veranderingen?

De nieuwe regeling is eenvoudiger van opzet dan de oude regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Slechts een beperkt aantal componenten die typisch voor bouw- en sloopafval zijn, mag nog gestort worden. Dit maakt in vergelijking met de huidige situatie de handhaving eenvoudiger.

De Regeling merkteken niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval wordt ook vervangen, nl. door de Regeling merkteken niet-herbruikbaar en niet-verbrandbaar bouw- en sloopafval. In deze laatstgenoemde nieuwe regeling is vastgelegd welke personen gemachtigd zijn om een nieuw merkteken te voeren. Het merkteken zelf wordt gewijzigd en de regeling bevat handvatten voor een goede handhaafbaarheid van het stortverbod.

Een merkteken mag worden gevoerd door personen die een bepaald certificaat bezitten. Ook kan een merkteken gevoerd worden voor partijen waarvoor een partijkeuring door een inspecterende instelling is uitgevoerd.

Achtergronden

Sinds 1997 is het stortverbod voor herbruikbaar bouw- en sloopafval van kracht. Bij het instellen van het stortverbod voor niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval was al voorzien dat te zijner tijd een uitbreiding van het stortverbod met brandbaar bouw- en sloopafval zou plaatsvinden. De criteria om te beoordelen of bouw- en sloopafval niet herbruikbaar is, zijn vastgelegd in de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval. Omdat het in de praktijk bijzonder lastig is om bij een stortplaats op deze criteria te controleren, is in het Besluit stortverbod afvalstoffen vastgelegd dat niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval alleen dan mag worden gestort, als de betreffende partij is voorzien van een merkteken. Dit merkteken mag alleen worden gevoerd door bedrijven die volgens een in de regeling genoemd procescertificatieschema zijn gecertificeerd. Het merkteken is dus een belangrijke indicatie dat een partij bouw- en sloopafval die aan de stortplaats wordt aangeboden, voldoet aan de eisen die in de Regeling niet-herbruikbaar bouw- en sloopafval stelt. De controle van de certificaten is opgedragen aan certificerende instellingen die door de Raad voor Accreditatie zijn erkend.
Deze systematiek gaat nu ook voor brandbaar bouw- en sloopafval gelden.


© Uitgeverij Noordhoek BV