Artikel:

Rubriek:

Auteur:

Inhoud:

9 mei 1997

Jurisprudentie

B.J.M. Veldhoven

Strenge Kwaliteitseisen
Brandstof
Ruime uitleg

Dwangsom was onterecht

Op 21 Januari 1997 deed de Raad van State uitspraak in een schorsingsprocedure die de uitvoer betrof van houtsnippers naar Zweden zonder voorafgaande kennisgeving op grond van de Verordening 259/93 (EVOA). De Minister van VROM was van oordeel dat het hier ging om houtsnippers afkomstig uit bouw- en sloopafval. Deze moesten volgens haar worden aangemerkt als afval van behandeld hout. Zij legde een dwangsom op in geval van grensoverbrenging tot een maximum bedrag van 4 miljoen gulden.

Allereerst werd ter zitting namens de Minister betoogd dat het betreffende bedrijf inmiddels twee kennisgevingen volgens de EVOA had gedaan voor overbrenging van houtsnippers naar Zweden, waartegen de Minister geen bezwaar had gemaakt De Minister bestreed dan ook dat er een spoedeisend belang was voor een schorsingsverzoek. Ter zitting kwam echter vast te staan dat het bedrijf bezig was met het opzetten en inrichten van een depot van houtsnippers in Zweden, van waaruit het mogelijk was om snel op piekbehoeften te reageren en waarmee op de spotmarkt gehandeld kon worden. Aangezien ingevolge de EVOA uitsluitend houtsnippers mogen worden uitgevoerd waarvoor reeds contracten met afnemers zijn gesloten, zou de opzet van het depot belemmerd worden door een voortdurende onzekerheid. Bovendien overwoog de Raad van State dat voor de overbrenging van de houtsnippers een borgsom of bankgarantie zou moeten worden verstrekt van 1000 gulden per ton, waardoor de kredietfaciliteiten van dat bedrijf beperkt werden. Conclusie: wel degelijk een spoedeisend belang.

Strenge kwaliteitseisen

Vervolgens ging de Raad inhoudelijk in op de vraag of de houtsnippers als afvalstof moesten worden aangemerkt dan wel als (secundaire) grondstoffen. Het bedrijf betoogde dat de houtsnippers werden vervaardigd uit ingekomen bouw-en sloopafval alvorens te worden uitgevoerd naar Zweden. In Zweden werden de houtsnippers, waaraan op grond van contractuele verplichtingen strenge kwaliteitseisen werden gesteld, zonder nadere bewerking ingezet als brandstof in elektriciteitscentrales met warmtekrachtkoppeling. Deze inzet, zo werd vastgesteld, vond plaats op milieuhygiëënisch verantwoorde wijze. Weliswaar was het bouw-en sloopafval voor de toegepaste verwerking nog afval, na de bewerking en de vervaardiging tot houtsnippers niet meer. De Raad stelde vast dat de kernvraag was of het bouw- en sloopafval als gevolg van de bewerking zijn status van afvalstof verloor voor het de inrichting van verzoekster verliet. De Raad hechtte er in dit verband belang aan dat door middel van diverse scheidings-, breek- en zeeftechnieken het hout van verontreiniging werd ontdaan en vervolgens het hout werd verspaand tot houtsnippers van de de afnemers gewenste grootte. Weliswaar waren de houtsnippers na de bewerking nog enigszins verontreinigd, maar zij moesten voldoen aan stringente kwaliteitseisen. De houtsnippers werden vervolgens als brandstof gebruikt in elektriciteitscentrales met warmtekrachtkoppeling. Zij dienen daarbij ter vervanging van gewone brandstoffen. De Raad van State oordeelde dat aangenomen moest worden dat de houtsnippers nuttig konden worden toegepast als brandstof. In feite was dit ook het oordeel van de Minister, getuige het feit dat zij tegen de wel aangevraagde EVOA-kennisgevingen geen bezwaar had gemaakt.

Brandstof

De Raad ging er vooralsnog vanuit dat het op deze wijze behandelde bouw- en sloopafval het karakter van afvalstof had verloren. De dwangsombeschikking was ten onrechte opgelegd. Interessant is dat de Nederlandse rechter in het kader van een zaak die gaat over de uitleg van Europees recht (namelijk de Europese Verordening 259/93), een criterium hanteert voor de vraag afvalstof of niet, dat niet direct aan de verordening kan worden ontleend. Het gehanteerde criterium was dat de stoffen zonder nadere voorzieningen op milieuhygiënisch verantwoorde wijze konden worden gebruikt als brandstof. Het criterium voor het Europese afvalstoffenbegrip is echter dat het gaat om een stof, behorend tot een in de bijlage van de betreffende richtlijn genoemde categorie, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Ruime uitleg

Het is niet helemaal duidelijk hoe de Raad de verbinding legt tussen deze Europese definitie en zijn uitleg van het afvalstoffenbegrip. Dat zal de lezer misschien minder interesseren, nu de uitkomst positief is voor de producenten van substituutbrandstoffen. Echter strikt formeel-juridisch is niet duidelijk hoe één en ander wordt geconstrueerd. De Nederlandse rechter heeft in ieder geval wederom een belangrijke stap voorwaarts gezet door een niet al te ruime uitleg te geven aan het begrip ‘afvalstof’. Hierdoor wordt het toepassingskader van de verordening beperkt tot ‘echte’ afvalstoffen.
Het betrof uitspraak nr. F03.96.1018 (niet gepubliceerd). 

Mr B.J.M. Veldhoven
is advocaat en gespecialiseerd in milieurecht met name op het gebied van afvalstoffen.
Postbus 85852, 2508 CN Den Haag
telefoon (070) 365 23 00

e-mail: secretariaat@veldhovenadv.nl

 


© Uitgeverij Noordhoek BV