Artikel:

Rubriek:

Auteur:

Inhoud:

21 november 1997

Jurisprudentie

B.J.M. Veldhoven

Asbestplaten
Te snel

Asbest is niet automatisch afvalstof

Twee opvallende uitspraken worden dit maal door mr Veldhoven behandeld. De Raad van State keurde onlangs de export van met kwik verontreinigde grond toch goed, omdat de verwerkingscapaciteit niet binnen afzienbare tijd beschikbaar zal zijn. En de schorsing van een dwangsom in een zaak over asbestplaten laat zien dat in dit geval de enkele verwijzing naar een wettelijke regeling onvoldoende is voor de bepaling of iets een afvalstof is of niet.

Tegen een voorgenomen uitvoer van met kwik verontreinigd schroot van Hengelo naar Duitsland maakte de Minister van VROM bezwaar uit hoofde van de EEG Verordening 259/93. Uit de gepubliceerde tekst blijkt niet waarom, maar vermoedelijk omdat deze stoffen in Nederland verwerkt zouden kunnen worden. De Minister baseerde zich daarbij op het Meerjarenplan verwijdering gevaarlijke afvalstoffen, waarin is bepaald dat de uitvoer van afvalstoffen naar het buitenland slechts is toegestaan als in het buitenland een hoogwaardiger verwerkingstechniek aanwezig is en/of in Nederland onvoldoende capaciteit is om het afval te verwerken.
In deze zaak bleek de verwijderingscapaciteit in Nederland pas begin 1999 operationeel. De Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State legt het Meerjarenplan aldus uit; niet alleen de techniek, maar ook de capaciteit om de techniek toe te passen moet binnen afzienbare tijd beschikbaar zijn. Alleen in die gevallen mag het afval (tijdelijk) worden opgeslagen, totdat de capaciteit beschikbaar is. De Voorzitter oordeelde dat er in dit geval geen sprake was van 'binnen afzienbare tijd beschikbaar', en schorste de beschikking. De uitvoer werd daarmee toegestaan.

Asbestplaten

Een jachtbedrijf in Voorschoten had op haar inrichting asbestgolfplaten staan die waren bestemd voor reparaties aan de dakbedekking, die uit dezelfde platen bestond. Het gemeentebestuur van Voorschoten meende dat de aanwezigheid van deze asbestplaten in de inrichting in strijd was met een bepaling uit de revisievergunning, waarin staat dat afvalstoffen op gezette tijden uit de inrichting moeten worden afgevoerd. Het bestuur legde de jachtwerf een dwangsom op van fl. 200,- voor iedere dag dat de asbestgolfplaten niet uit de inrichting verwijderd werden.
De jachtwerf kwam daartegen in het geweer en voerde bij de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak in een schorsingsprocedure aan, dat zij niet kon worden verplicht asbestgolfplaten weg te halen, aangezien het bedrijfsmateria-len waren en dus geen afvalstoffen.
Burgemeester en Wethouders van Voorschoten meenden dat de asbestplaten wel als afval moesten worden aangemerkt en verwezen naar het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet op grond waarvan het niet is toegestaan asbesthouden-de platen in voorraad te hebben, te bewerken of te verwerken. Naar de mening van B&W volgde uit deze verbodsbepa-ling dat de platen op geen enkele manier meer bruikbaar zouden zijn voor de jachtwerf, waardoor ze afval werden.

Te snel

De Voorzitter overwoog, dat voor de beantwoording van de vraag of B&W bevoegd waren een dwangsom op te leggen, doorslaggevend is of de asbestplaten als afval zijn aan te merken. De stelling dat de asbestplaten afval zijn op grond van het Asbestbesluit, ging de Voorzitter te snel. Uit het Asbestbesluit, zo overwoog de Voorzitter, volgt immers niet zonder meer dat asbestplaten als afval zijn aan te merken.
Weliswaar wordt in het Asbestbesluit verboden asbest, of asbesthoudende producten te bewerken, te verwerken of in voorraad te houden, maar in het besluit worden eveneens gevallen genoemd waarin dit verbod niet geldt. Ook worden in het Besluit vrijstellings- en ontheffingsmogelijkheden gegeven. Om die redenen stond niet vast dat de asbestplaten niet gebruikt mochten worden.
De Voorzitter oordeelde dat B&W niet hadden mogen volstaan met een enkele verwijzing naar het Asbestbesluit, maar gemotiveerd hadden moeten aangeven waarom in dit geval niet een van de uitzonderingen van het Asbestbesluit van toepassing was. Dus was de dwangsombeschikking onvoldoende gemotiveerd.
Met deze uitspraak heeft de Voorzitter de gehanteerde juridische onderbouwing dat asbestplaten afvalstoffen zijn, te licht bevonden. De enkele verwijzing naar een wettelijke regeling voor de uitleg van 'afvalstof' is onvoldoende, daar is meer voor nodig. Eventueel kan met behulp van de in de jurisprudentie ontwikkelde criteria en met gebruikmaking van de normen in wettelijke regelingen, waaruit duidelijk blijkt dat een stof als product niet (meer) toelaatbaar is, worden vastgesteld of er sprake is van een afvalstof.

Mr B.J.M. Veldhoven
is advocaat en gespecialiseerd in milieurecht met name op het gebied van afvalstoffen.
Postbus 85852, 2508 CN Den Haag
telefoon (070) 365 23 00

e-mail: secretariaat@veldhovenadv.nl

 


© Uitgeverij Noordhoek BV