Artikel:

Rubriek:

Auteur:

Inhoud:

19 december 1997

Jurisprudentie

B.J.M. Veldhoven

Niet gericht op rechtsgevolg

De zaak ‘cobalt in solutions’

Recent zijn twee uitspraken gedaan waarin het Europese afvalstoffenbegrip centraal staat. De eerste ging over een overtreding waarbij schade-auto’s waarin nog vloeistoffen aanwezig waren, al dan niet als afvalstof in de zin van de EVOA moeten worden aangemerkt. De tweede handelt over de vraag of een beslissing over de status van eens stof een op rechtsgevolg gerichte beslissing is.

De eerste uitspraak is van de rechtbank van Leeuwarden van 25 september. Hierbij was de vraag of schade-auto’s waarin nog vloeistoffen aanwezig zijn, als afvalstof in de zin van de EVOA moeten worden aangemerkt. De verdachte werd vervolgd voor het vanuit Duitsland naar Nederland overbrengen van voor nuttige toepassing bestemde schade-auto’s. Voor die overbrenging was geen kennisgeving gedaan aan de betrokken autoriteiten.
De verdachte meende dat hij voor de overbrenging geen kennisgevingsprocedure hoefde te volgen, aangezien schade-auto’s niet als afvalstof kunnen worden beschouwd. De politierechter overwoog dat indien in de overgebrachte schade-auto’s géén vloeistoffen meer aanwezig zouden zijn, zij niet onder de werking van de EVOA zouden vallen.
Nu er wel vloeistoffen in de auto’s zijn aangetroffen, diende de vraag te worden beantwoord of deze schade-auto’s (met vloeistoffen) als afvalstof in de zin van de EVOA moesten worden aangemerkt. De politierechter overwoog dat vooral van belang is of degene van wie de verdachte de auto’s afnam (de houder tot dat ogenblik) zich van de auto’s ontdeed. Het begrip "zich ontdoen van" zou volgens de politierechter zo geïnterpreteerd moeten worden, dat het in ieder geval omvat het zich ontdoen van voor verwijdering bestemde en voor nuttige toepassing bestemde afvalstoffen.
Omdat duidelijk was dat het ging om zwaar beschadigde auto’s die op het bedrijf van verdachte zouden worden ontmanteld en nooit meer op de weg zouden komen, paste er redelijkerwijs geen andere uitleg dan dat de leverancier zich van de auto’s heeft ontdaan. Derhalve, aannemende dat er vloeistoffen in de schade-auto’s zijn aangetroffen, betrof het hier afvalstoffen in de zin van de EVOA, aldus de politierechter.
Aangezien de politierechter bij het bepalen van de straf heeft overwogen dat de EVOA-materie tamelijk complex en nog niet uitgekristalliseerd is, alsmede dat de door verdachte gepleegde overtreding van relatief geringe aard was en snel gecorrigeerd kon worden, is de verdachte er met een voorwaardelijke geldboete van f. 750,- ‘vanaf gekomen’.

Niet gericht op rechtsgevolg

Een terugwinningsbedrijf uit St. Hubert exporteerde de stof ‘cobalt in solutions’ aan haar afnemer in Olen (België). VROM stelde een onderzoek in naar de status van deze stof. Tegelijkertijd deelde VROM het Vlaamse Gewest (OVAM) mee dat gedurende dit onderzoek de stof als oranje-lijst stof in de zin van de Europese verordening diende te worden aangemerkt. VROM heeft vervolgens in een faxbericht aan het Vlaamse Gewest meegedeeld dat de stof ‘cobalt in solutions’ valt onder het toepassingsgebied van de Europese Verordening.
Hoewel dit faxbericht direct gericht was tot de Belgische autoriteiten, had dit voor het terugwinningsbedrijf aanzienlijke gevolgen. Als gevolg van het standpunt van VROM kon het bedrijf ‘cobalt in solutions’ niet meer leveren aan haar Belgische afnemer zonder de kennisgevingsprocedure te volgen. Hierdoor zou zij aanzienlijke financiële lijden.
Het bedrijf stond op het standpunt dat de ‘cobalt in solutions’ niet als afvalstof diende te worden aangemerkt. Om die reden wilde zij bezwaar maken tegen dit standpunt. Volgens VROM diende het bedrijf, om een voor beroep vatbare beslissing te krijgen over de status van de stof ‘cobalt in solutions’, de kennisgevingsprocedure te volgen. Omdat het bedrijf meende dat de stof niet als afvalstof diende te worden aangemerkt, achtte zij het niet redelijk dat VROM van haar verlangde deze procedure te volgen (slechts) om een voor beroep vatbare beschikking te krijgen.
Het bedrijf verzocht daarom VROM, rechtstreeks, om een standpunt in te nemen over de status van de stof in een voor beroep vatbare beschikking of mee te delen of vast te leggen dat het faxbericht van VROM aan het Vlaamse Gewest als een voor beroep vatbare beschikking kan worden gezien.
Aangezien VROM op dit verzoek niet reageerde heeft het bedrijf tegen de desbetreffende weigering bezwaar gemaakt en bij de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening gevraagd, waardoor haar de uitvoer van de stof mogelijk werd zonder kennisgevingsprocedure.
De voorzitter oordeelde op 3 juni dat een beslissing over de status van de stof of het bestempelen van een stof als afvalstof, géén voor beroep vatbare beslissing is . Dit wordt gebaseerd op het feit dat de status van eens stof rechtstreeks uit de wet (de EVOA) voortvloeit. Het oordeel van het bevoegd gezag over de vraag of al dan niet sprake is van een afvalstof, is met andere woorden niet gericht op rechtsgevolg.

Mr B.J.M. Veldhoven
is advocaat en gespecialiseerd in milieurecht met name op het gebied van afvalstoffen.
Postbus 85852, 2508 CN Den Haag
telefoon (070) 365 23 00

e-mail: secretariaat@veldhovenadv.nl

 


© Uitgeverij Noordhoek BV