Artikel:

Rubriek:

Auteur:

Inhoud:

10 april 1998

Jurisprudentie

B.J.M. Veldhoven

Recht op herkansing
Handhavingsverleden
Goede onderbouwing

Weigering milieuvergunning op grond van gedrag

Op 17 november heeft de Raad van State een interessante uitspraak gedaan. De vraag lag voor of onbehoorlijk gedrag uit het verleden voor de toekomst een rol mag spelen bij vergunningverlening volgens de Wet milieubeheer. De provincie Utrecht vond van wel en de plaatsvervangend voorzitter van de Raad van State gaf de provincie voorlopig gelijk.

Het ging om een inrichting waar autowrakken werden opgeslagen, bewerkt en vernietigd. Dergelijke inrichtingen vallen onder het afvalstoffenregime van de Wet milieubeheer. Vergunningen voor afvalstoffeninrichtingen zijn persoonsgebonden in plaats van, zoals normaal, inrichtingsgebonden. Dat is al een indicatie dat de persoon van de aanvrager een rol mag spelen bij de vergunningsbeoordeling. Kennelijk had deze aanvrager het in het verleden nogal bont gemaakt, waardoor het bevoegd gezag met grote regelmaat handhavend had moeten optreden. De provincie had een heel dossier opgebouwd waaruit bleek dat het met de betrokkene moeilijk garen spinnen was. Met de bedrijfsvoering werd het niet al te nauw genomen en met grote regelmaat werden vergunningsvoorschriften overtreden. Bij de provincie was ieder vertrouwen weg dat deze vergunninghouder zijn inrichting ooit nog naar behoren zou gaan leiden.

Recht op herkansing

De vergunninghouder betoogde, mede op basis van jurisprudentie uit de tijd dat de Wet milieubeheer nog niet bestond, dat het juridisch niet toegelaten is om een vergunning te weigeren op grond van gedrag uit het verleden. Immers is, zeker in theorie, denkbaar dat een vergunninghouder zich in een volgend vergunningleven alsnog naar behoren gedraagt. Vroeger zijn weigeringen op die grond vernietigd, omdat ieder recht heeft op een herkansing. Maar sinds de Wet milieubeheer ligt deze kwestie anders. De Raad van State ontleende aan de Wet Milieubeheer een aantal argumenten, waarom gedrag uit het verleden wel degelijk een rol mag spelen. Zo kan een vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd of onder beperkingen worden verleend. Voor afvalstoffeninrichtingen geldt de bepaling, dat onder bescherming van het milieu mede wordt verstaan de zorg voor een doelmatige verwijdering van afvalstoffen. Twee van de pijlers waarop de doelmatige verwijdering van afvalstoffen wordt gebaseerd, is het waarborgen van de continuïteit van de verwijdering en een effectief toezicht daarop. Bij deze doelmatigheid wordt ook gekeken naar de doorzichtigheid en de integriteit van de bedrijfsvoering. Het functioneren van de organisatie die een vergunning vraagt voor afvalstoffenverwijdering dient zodanig te zijn verzekerd, dat de bescherming van het milieu is gewaarborgd.

Handhavingsverleden

Daarom oordeelde de Raad van State dat het naleven van de aanvrager van een vergunning wel degelijk een rol mag spelen bij de beoordeling of de aanvraag voldoet aan het doelmatigheidscriterium. Dus mag ook de betrouwbaarheid van de ondernemer, zoals die blijkt uit het handhavingsverleden, een rol spelen. Bij deze zaak speelde vervolgens nog dat er in het verleden dwangsommen waren opgelegd, het bedrijf tijdelijk was stilgelegd en beroepen die de aanvrager tegen de handhavingsbeschikkingen had ingesteld ongegrond waren verklaard. Het eindoordeel was dan ook dat een adequaat toezicht op de verwijdering niet effectief mogelijk was en de continuïteit van de verwijdering van afvalstoffen niet was gewaarborgd. De aanvrager had verder in de aanvraag vermeld, dat hij de bedrijfsvoering ongewijzigd wilde voortzetten, hetgeen eveneens weinig vertrouwen gaf dat zaken te goede zouden keren.

Goede onderbouwing

Het interessante van deze uitspraak is dat een subjectief element, mede ten grondslag mag liggen aan een weigeringsbesluit. Maar er moeten wel objectieve feiten en grondslagen aanwezig zijn om te kunnen concluderen dat het met de betrouwbaarheid slecht is gesteld. Er moet dus een behoorlijk dossier voorhanden zijn om daadwerkelijk op deze grond een vergunning te kunnen weigeren. Omdat een vergunning voor afvalstoffenverwerking puur een persoonlijke vergunning is, worden dus extra hoge eisen gesteld aan de kwaliteit van de exploitant. Voorop gesteld dat de goeden niet onder de kwaden zullen lijden, lijkt mij deze uitspraak een positief signaal voor alle branchedeelnemers die het met de afvalstoffenverwijdering serieus menen.

Mr B.J.M. Veldhoven
is advocaat en gespecialiseerd in milieurecht met name op het gebied van afvalstoffen.
Postbus 85852, 2508 CN Den Haag
telefoon (070) 365 23 00

e-mail: secretariaat@veldhovenadv.nl

 


© Uitgeverij Noordhoek BV