Artikel:

Rubriek:

Auteur:

Inhoud:

19 juni 1998

Jurisprudentie

B.J.M. Veldhoven

De Minister "gaat om"
Grondstof of afvalstof?

Kalimijnen en afvalstoffen

De Minister van VROM maakte bezwaar tegen de uitvoer van afvalstoffen die toegepast zouden worden om kalimijnen in Duitsland te funderen. Na een bezwaarprocedure bleek de Minister alsnog bereid om deze mooie vorm van nuttige toepassing te ondersteunen, wat van groot belang is voor de recyclingsmarkt.

Onder het stadje Sondershausen in Duitsland was door zoutwinning diep in de grond een gangenstelsel ontstaan van zo'n 25 kilometer. Na beëindiging van de winning bleek de grond regelmatig te verzakken. Op termijn zou hierdoor zelfs de rivier die door Sondershausen loopt het stadje onder water kunnen zetten. Daarom legde de Duitse overheid een opvulplicht aan de zoutmijnen op. Door op strategische plaatsen de mijngangen op te vullen wordt de ondergrond dan als het ware gefundeerd.

Allerlei typen afvalstoffen werden als bouwstof beproefd. Ook werd een natte en een droge methode ontwikkeld om de stoffen in de mijngangen te verwerken. Bij de natte methode wordt een mengsel van bijvoorbeeld rookgasreinigingsresiduen (bindmiddel) en metaalhydroxide-slib (vulstof) via pijpleidingen in de mijngangen gespoten. Dit mengsel is vergelijkbaar met betonmortel, en levert na uitharding een mooie fundering op. De droge manier hield in dat vulstoffen en bindmiddelen in zogenaamde 'big bags' worden ingebracht. Het is duidelijk dat hierdoor de inzet van primaire bouwstoffen kan worden voorkomen. Deze afvalstoffen waren afkomstig van een productiebedrijf van steenwol en een afvalverbrandingsinstallatie.

De Minister "gaat om"

Oorspronkelijk maakte de Minister bezwaar tegen de export van deze stoffen, omdat het zou gaan om deponie van afvalstoffen in mijnen. Dit wordt door de Minister gezien als definitieve verwijdering in de vorm van storten. Omdat Nederland voldoende stortmogelijkheden heeft, konden de stoffen ook in Nederland worden gedeponeerd. Nadat in de bezwaarprocedure omstandig was uiteengezet met welk doel deze stoffen zouden worden ingezet, kwam de Minister op haar standpunt terug. De inzet van deze stoffen als bind- en vulstofmiddel in mijnbouwmortel voor ondergrondse berging ter voorkoming van verzakkingen werd aangemerkt als een handeling van nuttige toepassing. Daarbij gold wel dat de 'berging' alleen betrekking mocht hebben op dat deel van de mijn dat vanuit bouwtechnisch oogpunt minimaal opgevuld diende te worden.

De besparing van primaire bouwstoffen was een van de doorslaggevende elementen om dit aan te merken als een vorm van nuttige toepassing in plaats van als een handeling van definitieve verwijdering. Derhalve werd alsnog toestemming verleend voor de uitvoer van deze stoffen, omdat het Meerjarenplan gevaarlijke afvalstoffen II zich niet tegen uitvoer verzette. Tussen haakjes: indien de Minister dit MJP wel had gebruikt om de export te verbieden was het direct oorlog geworden! Zoals in deze rubriek meermalen betoogd dient de markt van nuttige toepasbare stoffen een vrije te zijn, dus ook van deze afvalstoffen.

Grondstof of afvalstof?

Ook was de vraag aan de orde gesteld of er wel sprake is van een afvalstof. Immers ging het om de toepassing van stoffen die zonder nadere bewerking geschikt waren om als grondstof te worden toegepast, waarbij de samenstelling van de stof zowel functioneel als milieuhygiënisch vergelijkbaar is met primaire bouwstoffen. De Minister vond dat het hier om stoffen ging met een negatieve economische waarde, waarvan het bedrijf zich wenste te ontdoen, en welke vrijkomen bij rookgasreiniging; dus om afvalstoffen. Daar valt wel wat op af te dingen. Van een negatieve waarde was juist geen sprake omdat de stoffen geld opleverden voor alle betrokkenen (ontdoener en verwerker), van ontdoen (in onze spreektaal) was geen sprake omdat er meer aanwendingen mogelijk waren, en dat stoffen in een bepaalde fase van het proces vrijkomen zeg niets over de kwaliteit en de eigenschappen van de stof.

Echter ging het in dit geval om de toepassing van de Europese exportverordening, waarin een zeer ruim afvalstoffenbegrip wordt gehanteerd. Overigens zal de inhoud daarvan nog nader worden begrensd en bepaald door het Europese Hof. Enige recente Nederlandse uitspraken van de Raad van State bevatten vragen aan het Europese Hof over het afvalstoffenbegrip. Het Hof gaat zich daar nog over buigen. In de Nederlandse rechtspraak zijn tendensen waar te nemen, waarbij het afvalstoffenbegrip beperkt wordt uitgelegd, waardoor toepassingen met substituut grond- of bouwstoffen buiten de afvalstoffensfeer zouden kunnen blijven.

Mr B.J.M. Veldhoven
is advocaat en gespecialiseerd in milieurecht met name op het gebied van afvalstoffen.
Postbus 85852, 2508 CN Den Haag
telefoon (070) 365 23 00

e-mail: secretariaat@veldhovenadv.nl

 


© Uitgeverij Noordhoek BV