|
Artikel: Rubriek: Inhoud: |
15 mei 1998 De regels |
![]()
ANLAG International
ANLAG International B.V. is een milieu organisatie die zeer specialistisch is toegelegd en zich heeft ontwikkeld tot adviseur, ontwerper, fabrikant en leverancier van opslagsystemen en opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen. ANLAG International B.V. produceert en levert onder meer: de volledige bouw en inrichting van KGA-depots, opslag- en voorraadgebouwen, Milieu Units en kluizen, vatenkasten en vatenparken en tal van andere opslagsystemen. De opslagdepots worden opgebouwd uit diverse ANLAG Milieu Units. Deze units kunnen aan elkaar gekoppeld worden en geformeerd tot iedere gewenste opstelling. De mogelijkheden variëren van in lijn tot hoekopstellingen, T- of U-opstellingen, tot en met een compleet afgesloten en overdekt depot. Afhankelijk van de te bergen stoffen en de gevaarklasse ervan worden de Milieu Units opgedeeld in compartimenten, die elk aangepast zijn aan de gevaarklasse van de te bergen stoffen..
ANLAG International B.V. levert TNO-goedgekeurde (volgens NEN 6069) Milieu Units die 30, 60 of 90 minuten brandwerend zijn. Elk depot/unit wordt afgeleverd compleet turn-key en voorzien van een constructiecertificaat. De brandwerende Milieu Units en/of compartimenten worden geleverd met een TNO-goedgekeuringscertificaat op de brandwerendheid ervan. Ook de vloeistofdichte vloeren en/of binnenplaatsen worden afgeleverd met een certificaat op de vloeistofdichtheid.
De ANLAG depots vereisen een korte plaatsings- en bouwtijd, zijn gemakkelijk uit te breiden en zijn eenvoudig verplaatsbaar bij eventuele locatieveranderingen. De depots en/of Milieu units worden afgewerkt volgens de hoogste milieurichtlijnen en worden compleet gebruiksklaar/sleutelklaar opgeleverd op locatie.
ANLAG International B.V.
Stationsstraat 2
6741 DH LUNTEREN
telefoon (0318) 48 58 44
telefax (0318) 48 31 90
![]()
In het depot voor gevaarlijke (afval)stoffen worden deze tijdelijk bewaard of gereed gemaakt voor gebruik of transport. Dit kan voor medewerkers gevaarlijke situaties opleveren. Daarom zijn regels en voorschriften opgesteld voor de opslag, het werken met en het transport van gevaarlijke (afval)stoffen. Deze staan onder andere in de Arbowet en het Arbobesluit, in de milieuvergunning, in de Wet Milieugevaarlijke stoffen en de Wet Milieubeheer.
Aan de opslag worden door verschillende overheden eisen gesteld aan bijvoorbeeld de constructie, de inrichting en de plaats van het depot. Die eisen hebben tot doel de veiligheid van de werknemer te waarborgen, en het milieu te beschermen. De arbeidsinspectie stelt eisen op basis van de Arbowet, de gemeente op basis van de Wet Milieubeheer en de brandweer stelt eisen aan de aspecten van brandgevaarlijkheid. Om al deze zaken op elkaar af te stemmen is een commissie in hert leven geroepen. De Commissie voor Preventie van Rampen met gevaarlijke stoffen, heeft de zogenaamde CPR-richtlijnen opgesteld. Daarom wordt in de milieuvergunning over het algemeen direct verwezen naar een CPR-15 richtlijn. De CPR 15 richtlijnen geven de minimum voorzieningen aan, waaraan een opslag van gevaarlijke (afval)stoffen moet voldoen. Er zijn drie CPR 15 richtlijnen:
CPR 15-1 opslag van gevaarlijke stoffen in emballage tot 10.000 liter of kg
CPR 15-2 opslag van gevaarlijke stoffen, chemische afvalstoffen en bestrijdingmiddelen in emballage; opslag van grote hoeveelheden
CPR 15-3 opslag van bestrijdingsmiddelen in emballage of in distributie, vanaf 400 kg.
Voor een opslag met een hoeveelheid van minder dan 25 kg en een benodigde werkvoorraad gelden niet voor de CPR-richtlijnen. Wel kunnen in de milieuvergunning hiervoor voorschriften worden opgenomen of kan de arbeidsinspectie hiervoor aanvullende eisen stellen.
De CPR 15 richtlijnen hebben dus geen wettelijke status. In de praktijk is het echter zo dat de vergunningverlener zich op deze richtlijnen (volledig) baseerd, en direct in de vergunning naar een richtlijn verwijst. Bovendien zijn voor een aantal bedrijfstakken Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB's) opgesteld die expliciet naar een richtlijn verwijzen.
In de milieuvergunning mag van de richtlijn alleen gemotiveerd worden afgeweken. Als naar het oordeel van de vergunningverstrekker verhoogde of verlaagde risico's aanwezig zijn, dan kunnen zwaardere of lichtere eisen aan de opslagplaatsen worden gesteld. Als bedrijven menen dat er verlaagde risico's aanwezig zijn – bijvoorbeeld doordat op een andere manier toch dezelfde veiligheid kan worden gegarandeerd – kunnen zij tot een lichtere eis verzoeken. In de meeste gevallen zal dan wel om een risico-analyse worden gevraagd.
Aangezien de CPR-richtlijnen geen wettelijke status hebben, moeten bedrijven uitsluitend voldoen aan de in de milieuvergunning opgenomen voorschriften, of aan de voorschriften zoals die zijn opgenomen in de AMvB. Overigens geldt dat als in de milieuvergunning wordt aangegeven dat de opslag voor gevaarlijke stoffen op een bepaalde wijze dient te geschieden, dan geldt dit ook gevaarlijke afvalstoffen.
Of afval gevaarlijk is wordt wettelijk bepaald in het Besluit aanwijzing gevaarlijke afvalstoffen (Baga).
Of een stof gevaarlijk is wordt gedefinieerd in de Wet milieugevaarlijke stoffen (Wms). De CPR-richtlijnen zijn van toepassing op de onderstaande stoffen-categogiën uit de Wms
|
Stoffen tabel volgens Wms |
Valt onder de CPR-richtlijnen |
|
Ontplofbare stoffen |
Nee |
|
Zeer licht ontvlambare stoffen |
Nee |
|
Licht ontvlambare stoffen |
Ja (enkele uitzonderingen) |
|
Ontvlambare stoffen |
Ja |
|
Zeer vergiftige stoffen |
Ja |
|
Vergiftige stofen |
Ja |
|
Schadelijke stoffen |
Ja |
|
Irriterende stofen |
Ja |
|
Corrosieve stoffen |
Ja |
|
Oxiderende stoffen |
Ja |
|
Milieugevaarlijke stoffen |
Ja |
|
Carcinogne, mutagene en teratogene stoffen |
nee |
Voor visceuze stoffen is een specifieke regel van toepassing. Niet onder de werkingssfeer van de CPR-15 richtlijn vallen visceuze stoffen met een vlampunt tussen de 21 °C en 55 °C volgens de Wms en die volgens de vervoerswetgeving niet als ontvlambaar worden aangemerkt.
De CPR-richtlijnen sluit de gezamenlijke opslag van bepaalde stoffencategorieën uit. Met elkaar reagerende stoffen moeten zoveel mogelijk gescheiden houden. In de CPR-1 richtlijn is een schema opgenomen van deze zogenaamde onverenigbare combinaties.
|
Code |
I |
II |
III |
IV |
V |
|
I |
|
X |
X |
X |
X |
|
II |
X |
|
|
X |
X |
|
III |
X |
|
|
|
X |
|
IV |
X |
X |
|
|
X |
|
V |
X |
X |
X |
X |
|
Code
I = oxiderende stoffen
II = (zeer licht of licht) ontvlambare vloeistoffen
III = (zeer licht of licht) ontvlambare vaste stoffen
IV = (zeer) vergiftige stoffen
V = corrosieve/bijtende stoffen
Als twee of meer stoffen-categorieeën in een ruimte worden opgeslagen, dan zullen deze gecompartimenteerd moeten worden van elkaar. Dat wil zeggen dat de ruimte gescheiden moet worden door een brandwerende scheidingswand. Compartimentering moet ook gebeuren bij stoffen die meer dan een gevaarsaspect kennen.
Vanzelfsprekend is de bovenstaande tabel uitsluitend bedoeld voor het gescheiden opslaan van gevaarlijke (afval)stoffen. Het geeft uitdrukkelijk niet weer dat het wel of niet samenvoegen van de stoffen. Doorvoor gelden geheel andere regels, met name op het gebied van veiligheid. Voor (gevaarlijke) afvalstoffen geldt dat deze niet mogen worden samengevoegd als dit een mogelijk hergebruik belemmert.
Deze richtlijn heeft betrekking op de opslag tot 10.000 kg, en zijn derhalve voor de meeste bedrijven die met gevaarlijke (afval)stoffen omgaan van toepassing. De richtlijn kent een aantal uitzonderingen waarop hij niet van toepassing is, namelijk:
• voor opslag bij stuwadoorbedrijven
• voor opslag in accumulatoren
• voor inrichting van accuruimte
• voor opslag van bestrijdingsmiddelen vanaf 400 kg (Zie CPR 15-3)
• voor opslag in verkoopruimten (dit is geregeld per AmvB)
Voor de keuze van de opslagvoorziening is van belang te bepalen hoeveel stoffen worden opgeslagen en de locatie waar de opslag zal plaatsvinden.
De CPR15-1 richtlijn schrijft diverse opslagvoorzieningen voor bij een bepaalde hoeveelheid gevaarlijke (afval)stoffen.
|
Type opslagvoorziening |
Maximale hoeveelheid (l. of kg) |
|
Losse kast |
150 |
|
Bouwkundige kast |
250 |
|
Kluis in een gebouw met verdiepingen |
500 |
|
Kluis in een gebouw zonder verdiepingen |
2.500 |
|
Opslaggebouw |
10.000 |
|
Vatenpark |
10.000 |
Inpandige opslag van gevaarlijke stoffen moet brandwerend (minimaal 60 minuten) zijn uitgevoerd. Veiliegheidskasten moeten daarom conform NEN 2678 zijn uitgevoerd, de kluizen volgens NEN 6069.
Bij uitwendige opslag is de hoeveelheid opgeslagen stoffen en de afstand tot omliggende bebouwing en erfafscheiding bepalend op de opslagvoorziening brandwerend moet zijn uitgevoerd. Daarnaast gelden ook bepalingen voor de afstand tot 'gevoelige objecten' , waarmee bijvoorbeeld ziekenhuizen en bejaardenthehuizen worden bedoeld.
|
|
Hoeft niet brandwerend |
Moet brandwerend (60 minuten) volgens NEN 6069 |
|
Minder dan 1000 l.of kg. |
Afstand tot erfafscheiding minimaal 3 meter en tot bebouwing 5 meter |
Afstand tot erfafscheiding minimaal 2 meter en tot bebouwing 3 meter |
|
Meer dan 1000 l. of kg. |
Afstand tot erfafscheiding minimaal 5 meter en tot bebouwing 10 meter |
Afstand tot erfafscheiding minimaal 3 meter en tot bebouwing 5 meter |
Andere voorzieningen
Aanvullende voorwaarden worden gesteld aan de verlichting, de ventilatie en een eventuele verwarming.
In de CPR 15-1 worden ook voorzieningen voorgeschreven die in of nabij een opslagplaats, opslaggebouw of vatenpark aanwezig moeten zijn. Het gaat dan om brandblusapparatuur (voor iedere 200 m2 een draagbaar blustoestel; in een vatenpark of gebouw tenminste 2 toestellen; de loopafstand mag niet meer dan 15 meter bedragen), noodverlichting, persoonlijke beschermingsmiddelen en EHBO-voorzieningen, zoals oog/nooddouches.
De CPR 15-2 richtlijn is van toepassing op de opslagplaats van verpakte gevaarlijke (afval)stoffen en bestrijdingsmiddelen van:
• de chemische industrie
• handelaren in chemische producten
• inzamelaars en verwerkers van gevaarlijk afval
De CPR 15-2 beperkt zich tot een doelgroep van zeer specifieke bedrijven en bevat voorschriften voor de inrichting van de opslagplaats, de bluswateropvang etc.
De CPR 15-3 beschrijft voorzieningen die moeten worden ingesteld bij opslag en distributiebedrijven van bestrijdingsmiddelen. Het gaat daarbij om hoeveelheden tussen de 400 kg en de 10.000 kg. De richtlijn heeft met name betrekking op brandbestrijdingssystemen die voor deze inrichtingen moeten gelden.